Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Frans verschilt in enkele opzichten van het Nederlands. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en syntaxis in de Nederlandse taal als gevolg van transfer. Als deze problemen in het Nederlands worden geconstateerd, hoeft dit dus geenszins op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.
Fonologie De Nederlandse diftongen /ui/, /ei/-/ij/ en /ou/-/au/ zijn ongebruikelijk in het Frans. Daarnaast kent het frans de Nederlandse /g/ [x], de uitgesproken /h/, de hard uitgesproken /w/ en de glottisstop [ʔ] niet.
Morfologie Werkwoorden
Veel van de werkwoordinflectie is niet hoorbaar in het Frans, terwijl er in het schrift wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de werkwoordsvervoegingen. In gesproken Frans is er echter geen verschil te horen tussen de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud en de derde persoon meervoud. Voor jonge kinderen die het schrift in het Frans nog niet beheersen, zal deze vorm van vervoeging in het Nederlands nieuw zijn.
Verkleinwoorden Het verkleinsuffix, zoals dat gebruikt wordt in het woord hondje, is onbekend voor Franse moedertaalsprekers. De Fransen duiden aan dat iets klein is door het woord 'petit' voor het zelfstandig naamwoord te zetten als in ‘un petit garçon’. Nederlandse verkleinwoorden kunnen daarom lastig zijn voor kinderen met Frans als T1.
Syntaxis
Frans en Nederlands zijn beide analytische talen, met een SVO-woordvolgorde. De zinsvolgorde in het Frans lijkt sterk op de Nederlandse met twee belangrijke uitzonderingen. Allereerst vormt het werkwoordelijk gezegde één geheel in het Frans en staan de werkwoorden meestal bij elkaar in de zin en niet verspreid door de zin. Ten tweede hebben tijds- en plaatsbepalingen een vaste plek in de Franse zin, namelijk aan het begin of aan het einde.
Het Nederlandse woord 'er' kan voor problemen zorgen, omdat het in veel semantische contexten en syntactische locaties kan worden gebruikt, en er geen duidelijke Franse tegenhanger van bestaat. Er is in het Frans wel een vertaling voor het woordje ‘er’, te weten ‘y’, maar y kan niet gebruikt worden als letterlijke vertaling van ‘er’ in het Nederlands.
De fransen maken gebruik van de dubbele ontkenning ne… pas, terwijl het Nederlands een enkele ontkenning kent.
Pragmatiek
Op het gebied van pragmatiek worden er geen bijzonderheden verwacht.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Frans.
Fonologie
Heeft het kind moeite met de productie van de Nederlandse klanken [x], [w], [h], [ɑu], [œy] en/of [εi].?
Morfologie
Maakt het kind geen verschil in de vervoeging van een werkwoord bij de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud?
Heeft het kind moeite met verkleinwoorden?
Syntaxis
Heeft het kind moeite met woorden die ontkenning aangeven, zoals 'geen' en/of 'niet'?
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Frans. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Morfologie
Heeft het kind moeite met werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed, of gebruikt het voornamelijk infinitieven?
Heeft het kind er moeite mee om het vervoegde werkwoord aan het onderwerp te koppelen, op basis van aantal, persoon en geslacht?
Heeft het kind moeite met de passé composé en futur?
Heeft het kind moeite met het juiste gebruik van subject clitics?
Syntaxis
Worden lidwoorden en hulpwerkwoorden regelmatig weggelaten?
1. Algemene informatie over het Frans
Het Frans wordt door ongeveer 110 miljoen mensen gesproken en is daarmee de 15e taal in de wereld. Het kent een groot aantal dialecten die zowel verspreid door Frankrijk worden gesproken als buiten Frankrijk. Het Frans heeft in 42 landen een officiële status en wordt in 31 landen als officiële taal gesproken. Bovendien wordt het door veel minderheden gesproken in voornamelijk Afrika en Azië. De meeste landen zijn oud-koloniën van Frankrijk en hebben de taal als bestuurstaal aangehouden (zie Figuur 1).
De grootste dialecten zijn het Québécois, het Frans dat in Canada wordt gesproken en het Zwitser-Frans in Zwitserland. Ook het Waals heeft een aparte status als streektaal. En zo zijn er nog een flink aantal streektalen binnen Frankrijk zelf, zoals het Bretons, Provençaals en Bourgondisch. Toch overheerst het standaard-Frans, al worden de streektalen tegenwoordig wel getolereerd.
Als schrift kent het Frans slechts het standaard-Frans. Er is dus ook maar één grammatica, ondanks alle dialecten. Omdat het van het Latijn afkomstig is, wordt gebruik gemaakt van het Latijnse schrift, net als in het Nederlands. Wel zijn er een aantal klanken die het Nederlands niet kent en waarvoor schrijfwijzen worden gebruikt die voor Nederlanders niet altijd even eenduidig lijken, zoals de nasale klinkers, halfklinkers (Frans: semi-voyelles) en de geschreven ‘ç’.
Het Frans is ontsprongen aan het Latijn en valt daarmee onder de Romaanse talen. Het is net als het Nederlands een analytische taal (een taal met weinig morfologie) met een SVO-woordvolgorde (subject-verb-object). Toch heeft het Frans ook kenmerken van de Germaanse talen, met name het Keltisch, zoals het telsysteem (de Fransen gebruiken quatre-vingts, te weten "vier twintigen" voor tachtig) en de dubbele ontkenning ne… pas. Verder kent het Frans een flink aantal klankverschuivingen zoals verbindingen en hiaatdelging, hierover meer in onderstaand stuk.
Fonologie Zoals hierboven al genoemd, kent het Frans veel klankverschuivingen. Dit soort verschuivingen ontstaan voornamelijk bij medeklinkers die een andere klank krijgen door de klankomgeving waarmee ze een verbinding (liason) maken. Zo kent de /s/ meerdere verschijningsvormen. De /s/ van nous wordt bijvoorbeeld niet uitgesproken in ‘wij doen’, nous faisons [nufɛzɔ̃], maar wel in ‘wij hebben’, nous avons [nuzavɔ̃]. Interessant genoeg krijgt de /s/ van nous hier bovendien een z-klank. Dit is afhankelijk van de klanken in de omgeving van de /s/. Tussen twee klinkers in verandert de /s/ in een z-klank, en tussen een klinker en een medeklinker verdwijnt de klank, tenzij deze medeklinker een s-klank is (nous sommes). Dit geldt niet alleen voor de /s/. De /g/ kent ook meerdere uitspraken, vergelijk maar eens de uitspraak van garçon [garsɔ̃] met gentil [ʒɑ̃ti].
Een ander soort klankverschuiving dat in het Frans regelmatig voorkomt is hiaatdelging. Hiaatdelging vindt plaats wanneer er een 'hiaat' onstaat tussen twee klinkers in de uitspraak. Zo wordt de /n/ in mon chéri niet uitgesproken, maar de /n/ in mon ami wel. Sterker nog, ma chérie kent helemaal geen tussen-n, maar mon amie wel. Omwille van de hiaatdelging wordt bij mon amie de mannelijke vorm van het bezittelijk voornaamwoord gebruikt, ondanks dat amie vrouwelijk is. Meestal is hiaatdeling een puur auditief verschijnsel, maar in het Frans is het ook terug te vinden in de schrijftaal. De vragende vorm van il y a wordt y-a-t-il en deze zogenaamde 't-euphonique' wordt ook in schrijftaal weergeven. Het Nederlands kent ook hiaatdelging, maar alleen in de spreektaal. De /n/ is een veelgebruikte hiaatdelger in het Nederlands, zoals in de zin: Zie je-n-et nou of niet?. Hiaatdelging in het Nederlands is echter niet terug te vinden in het schrift in tegenstelling tot het Frans.
Daarnaast kent het Frans een viertal nasale klinkers. Deze zijn voor het Nederlands onbekend. Het bekende zinnetje ‘un bon vin blanc’, bevat alle neusklanken van het Frans en is voor veel Nederlanders een struikelblok. Daarentegen kent het Nederlands ook weer klanken die voor het Frans onbekend zijn, zoals de consonantclusters in bijvoorbeeld ‘herfst’ en de ‘sch’ klank in ‘schrijven’. Ook de diftongen in het Nederlands zijn ongebruikelijk in het Frans, denk maar eens aan de ‘ui’, ‘ei/ij’ en ‘ou’/’au’. Het Frans kent dan weer ‘semi-voyelles’, semi- of halfklinkers die op een andere manier worden uitgesproken. Er zijn drie semi-voyelles in het Frans, zogenaamde klinkers die niet tot een lettergreep behoren, maar samen met een andere klinker een diftong vormen die wel tot een lettergreep behoort. Voorbeelden hiervan zijn onder andere feuille, yeux en huile. In het overzicht hieronder zal voor alle drie de semi-voyelles een voorbeeld worden gegeven (zie Tabel 1). Daarnaast zal het overzicht van alle klinkers in zowel het Frans als het Nederlands een voorbeeld geven. Het betreft alle orale klinkers. De schrijfwijze wordt verder buiten beschouwing gelaten aangezien die voor deze Wiki niet relevant is, omdat we onderzoek doen naar taalstoornissen bij kinderen en daarmee de focus leggen op de mondelinge taal. In de tabel zijn de overeenkomstige klinkers in beide talen zo goed mogelijk tegenover elkaar gezet. Hierdoor is gemakkelijk te zien welke klanken beide talen kennen en welke klanken specifiek zijn voor de talen.
Tabel 1. Overzicht klinkers in het Frans en het Nederlands.
Frans
Nederlands
klank
schrijfwijzen
voorbeelden
klank
schrijfwijzen
voorbeelden
1
[a]
â, a, à
âme, base, déjà
1
[a]
aa, a
praat, tafel
2
[ɑ]
a
mal
2
[ɑ]
a
prak
3
[e]
e, er, ez
été, chanter, chez
3
[e]
ee, e
meet, sesam
4
[ɛ]
è, ê, ai
père, fête, mais
4
[ɛ]
e
pret
5
[i]
y, i, î
style, ici, gîte
5
[i]
ie, i
riep, dia
6
[ɪ], [ɩ]
i
pit
6
[o]
o, ô, au, eau
rose, trône, aube, eau
7
[o]
oo, o, eau
room, lopen, cadeau
7
[ɔ]
o
hotte
8
[ɔ]
o
trom
8
[u]
ou
coucou
9
[u]
oe, ou
roem, retour
9
[y]
u, ue
muse, mur, rue
10
[ü], [y]
uu, u
puur, bezuren
10
[ø]
eu, œu
peu, nœud
11
[ö], [ϕ]
eu
reus
11
[œ]
eu, œu, ue
peur, sœur, orgueil
12
[œ], [ʌ]
u
dun
12
[ə]
e
le
13
[ə]
e, u, i
tafel, de, gelukkig
Semi-voyelles
1
[w]
w, ou, oi
wallon, ouate, oisif
2
[ɥ]
hu, ui
huile, puits
3
[j]
y, i, il, ill
yeux, vieux, bail et feuille
Diftongen
1
[ɛi]
ij, ei
rijp, eis
2
[ɑu]
ou, au
kou, nauwe
3
[ʌü], [œy]
ui
luis
Nasale klinkers
1
[ɔ̃]
on, om
bon, comte
2
[ɑ̃]
an, en, ant, am, em
blanche, enfant, jambe, temps
3
[ɛ̃]
in, ain, ein
linge, train, frein
4
[œ̃]
un
aucun
Zoals in de tabel hierboven te zien is, zijn er flink wat verschillen tussen het Frans en het Nederlands. Zo valt op dat de 'i' in het Nederlandse pit in de Franse uitspraak niet voorkomt. De semi-voyelles in het Frans en de diftongen van het Nederlands zijn niet met elkaar te vergelijken, deze zijn namelijk specifiek voor beide talen. Voor de nasale klinkers van het Frans zijn bovendien geen Nederlandse equivalenten.
Ook in de medeklinkers zijn er verschillen tussen het Nederlands en het Frans. Zoals eerder genoemd, kent het Nederlands consonantclusters die voor het Frans onbekend zijn. Verder is de /ch/ als ‘harde g’ [x] in ‘lachen’ onbekend voor het Frans, net als de /g/ van ‘geel’ [ɣ]. Verder kent het Frans geen uitgesproken /h/ zoals het Nederlandse ‘hard’ en ook de glottistop [ʔ] in bijvoorbeeld ‘middag’ is ongebruikelijk in het Frans. Tot slot kennen de Fransen geen harde uitgesproken /w/, maar alleen een zeer sterke stemhebbende /v/. Voorbeelden hiervan staan in het overzicht van de medeklinkers hieronder (Tabel 2).
Andersom kent het Frans ook klanken van medeklinkers die voor de Nederlanders ongebruikelijk zijn, zoals [ʃ] in chat en de [ʒ] van jupe. Tot slot lijken de klanken [ɲ] van het Franse peigne en de [ŋ] van het Nederlandse ‘zingen’ wel erg op elkaar, maar zijn ze wel degelijk verschillend. Tabel 2 geeft een overzicht. Ook deze tabel is zoveel mogelijk geordend op de overeenkomsten in de talen, zodat de verschillen gemakkelijker te zien zijn. Er is geordend op schrijfwijze. De /ch/ van het Frans en het Nederlands staan namelijk wel tegenover elkaar, maar worden op heel verschillende manieren uitgesproken, zoals het IPA daarnaast ook duidelijk maakt.
Tabel 2. Overzicht medeklinkers in het Frans (Matter, 2007) en het Nederlands (Van Neijt, 1991).
Frans
Nederlands
klank
schrijfwijzen
voorbeelden
klank
schrijfwijzen
voorbeelden
1
[b]
b
bobine
1
[b]
b, bb
bak, tabel, hobbel
2
[d]
d
dodu
2
[d]
d, dd
dak, raden, bedden
3
[f]
f, ph
fil, phare
3
[f]
f, ff
fee, hiëroglyfen, lef, boffen
4
[ʃ]
ch
chat
4
[x]
ch
chaos, lachen, kuch
5
[g]
g, gu
gant, guérir
5
[ɣ]
g, gg
geel, hagel, agglomeraat
6
[h]
h
hard, aha
6
[ʒ]
j, g
jupe, gentil
7
[j]
j, i, y
jatten, aio, baai, royaal
7
[k]
k, c, qu
kilo, col, quatre
8
[k]
k, kk, ch, c, qu
kat, lak, mak, hakken, christus, café, quotiënt
8
[l]
l
lilas
9
[l]
l, ll
laat, gala, bal, ballen
9
[m]
m
madame
10
[m]
m, mm
mat, lama, raam, rammen
10
[n]
n
natte
11
[n]
n, nn
nat, anno, ton
11
[ɲ]
gn
peigne
12
[ŋ]
ng, n
zingen, bank
12
[p]
p
pipe
13
[p]
p, pp
pak, appel, tap
13
[r]
r
rôti
14
[r]
r, rr
rat, mare, kar, karren
14
[s]
s, ss, ç, ti, x
sable, basse, reçu, nation, dix
15
[s]
s, c, ç, sc, sch
sop, gesel, les, cent, façade, scène, logisch
15
[t]
t, th
table, thé
16
[t]
t, tt
tak, laten, kat, latten
16
[v]
v, w
veuve, wagon
17
[v]
v
vee, leven
18
[w]
w
ouwel, duw, weg
17
[z]
z, s, x
zèbre, chose dixième
19
[z]
z
zout, wezel
20
[ʔ]
-, "
aha [ʔaha], zoëven
Morfologie
Voor de morfologie zullen we ons vooral richten op de werkwoordsmorfologie en het werkwoordparadigma. Allereerst valt op te merken dat het Frans een relatief arme werkwoordsinflectie heeft, in ieder geval voor de mondelinge taal. Veel van de inflectie is namelijk niet hoorbaar in het Frans, terwijl er in het schrift wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de werkwoordsvervoegingen. In de gesproken taal is er geen verschil te horen tussen de eerste, tweede, en derde persoon enkelvoud en de derde persoon meervoud. Bovendien is de eerste persoon meervoud, de vorm van nous, een weinig gebruikte vorm in de spreektaal. Regelmatig wordt de nous-vorm vervangen door on, waardoor ook deze dezelfde uitspraak krijgt. Zo is er ook geen verschil meer tussen de werkwoordsvormen: ‘il regarde’ en ‘on regarde’. Als we een voorbeeld nemen van een regelmatig werkwoord op ‘-er’, dan zal de uitspraak voor alle vier hierboven genoemde persoonsvormen dezelfde zijn.
Voorbeeld: arrêter (stoppen)
Uitspraak van het werkwoord in alle vormen: [aret].
1e persoon enkelvoud: j’arrête;
2e persoon enkelvoud: tu arrêtes;
3e persoon enkelvoud: il arrête / elle arrête / on arrête;
3e persoon meervoud: ils / elles arrêtent.
Grofweg kunnen we de Franse werkwoorden in drie groepen verdelen, te weten: de regelmatige werkwoorden op –er (de grootste groep), de regelmatige werkwoorden op –ir, en de rest, namelijk alle onregelmatige werkwoorden en regelmatige werkwoorden op –re. In alle groepen is de inflectie voor de eerste drie personen enkelvoud in de uitspraak niet hoorbaar. Dit geldt ook nog eens voor de imparfait (verleden tijd) en de futur (toekomende tijd). Tabel 3 geeft een overzicht van de werkwoordsuitgangen en in IPA de laatste klank of uitspraak van de werkwoorden.
Tabel 3. Overzicht Franse werkwoorden en bijbehorende laatste klank (Prévost, 2009).
Syntaxis
Zoals hierboven al genoemd heeft het Frans net als het Nederlands een SVO-woordvolgorde. Het lijkt daarom qua zinsopbouw sterk op het Nederlands. Zo hebben stellende zinnen het vervoegde werkwoord op de tweede plaats (SVO), terwijl in vraagzinnen, net als in het Nederlands, het werkwoord voorop kan komen te staan (VSO). Het Frans kent nog meer manieren om een zin vragend te maken, maar het veranderen van de woordvolgorde is er één van.
In stellende zinnen volgt in het Frans het werkwoord altijd op het subject. In het Nederlands kan het (hulp)werkwoord ook achteraan de zin voorkomen. In het Frans kan dit niet. In het Nederlands zouden we kunnen zeggen: Gisteravond hebben de jongens voetbal gespeeld, waarbij het werkwoord ‘gespeeld’ helemaal aan het einde staat. In het Frans zou deze zin als volgt zijn: Hier soir les garçons ont joué au foot, waarbij opvalt dat het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord bij elkaar blijven staan en direct volgen op het subject. De tijdsbepaling ‘gisteravond’ komt in het Frans aan het begin van de zin of helemaal aan het einde. Dit geldt voor zowel plaats- als tijdsbepalingen. Deze staan in het Frans nooit midden in de zin, terwijl dit in het Nederlands wel mogelijk is.
Voorbeeld met tijdsbepaling: Le matin, je me reveille à neuf heures.*
Hiervoor hebben we in het Nederlands drie mogelijkheden:
Ik sta ’s morgens om negen uur op.
's Morgens sta ik om negen uur op.
Ik sta om negen uur op ’s morgens.
Wat betreft het indirect en direct object in het Frans; deze volgen meestal gelijk op het werkwoord maar hebben geen vaste volgorde. Soms komt het indirect object voor het direct object en soms juist andersom. Dit is gelijk aan het Nederlands. Voorbeeld: Ik geef haar twee cadeaus, waarbij het indirect object voor het direct object komt. Of Ik geef twee cadeaus aan haar, waarbij de volgorde andersom is. In het Frans kan dit ook, met lichte voorkeur voor de eerste vorm: Je lui donne deux cadeaux. Of: Je donne deux cadeaux à lui.
Kortom, de zinsvolgorde in het Frans lijkt sterk op de Nederlandse met twee belangrijke uitzonderingen. Allereerst vormt het werkwoordelijk gezegde één geheel in het Frans en staan de werkwoorden meestal bij elkaar in de zin en niet verspreid door de zin. Ten tweede hebben tijds- en plaatsbepalingen een vaste plek in de Franse zin, namelijk aan het begin of aan het einde.
Tot slot wordt in het Nederlands vaak gebruikt gemaakt van het woordje ‘er’. Een lastig woordje voor veel T2-leerders, voornamelijk doordat Nederlanders het voor hun gevoel "zomaar" en "overal" tussen kunnen plakken. Dit geldt ook voor een Fransman/Française die Nederlands leert. Er is wel een vertaling voor het woordje ‘er’, te weten ‘y’, maar y kan niet gebruikt worden als letterlijke vertaling van ‘er’ in het Nederlands. Dit woordje ‘er’ is vaak een groot struikelblok voor T2-leerders van het Nederlands, zeker als hun T1 Frans is.
Voor meer info en details over de syntaxis zie Delatour et al. (2012). *De meeste voorbeelden komen uit bovenstaand boek.
Samengestelde zinnen
Een nevenschikking, bestaande uit meerdere hoofdzinnen, worden vaak met elkaar verbonden door de volgende voegwoorden: ‘et’ (en), ‘car’ (want), ‘mais’ (maar), ‘ou’ (of) en ‘donc’ (dus). Onderschikkingen, bestaande uit een hoofd- en bijzin, kunnen ook samengesteld worden door voegwoorden, zoals ‘quoique’ (hoewel) voor een tegenstelling en ‘quand’ (wanneer) voor een voorwaarde of oorzaak. Een hoofd-en bijzin kunnen ook gekoppeld worden middels betrekkelijke voornaamwoorden. In het Frans worden de woorden qui, que of où dan vaak gebruikt aan het begin van een betrekkelijke bijzin. ‘Qui’ wordt gebruikt als het onderwerp in de bijzin is, ‘que’ wordt gebruikt als lijdend voorwerp en ‘où’ als verwijzing naar een tijd of plaats. In het Nederlands wordt hiervoor die of dat gebruikt.
Bij een onderschikking, die bestaat uit een hoofdzin en bijzin, is de volgorde in de hoofdzin in het Frans vaak eerst het onderwerp en dan het werkwoord. In het Nederlands is dit soms echter andersom wanneer de bijzin vooraan staat (inversie). Een voorbeeld: Après que sa femme est morte, il a déménagé à Nadat zijn vrouw was overleden, verhuisde hij.
Pragmatiek
Qua pragmatiek komt het Frans sterk overeen met het Nederlands. De woorden tutoyeren en vousvoyeren komen niet voor niets uit het Frans. De mensen die wij in het Nederlands zouden aanspreken met ‘u’, spreek je in het Frans aan met ‘vous’. De mensen die je beter kent, of mensen van je eigen leeftijd of jonger spreek je in het Nederlands aan met ‘jij/je’ en in het Frans met ‘tu’. Het gebruik hiervan is nagenoeg gelijk. In het Frans is het, net als in het Nederlands, gebruikelijk om onbekende mensen, oudere mensen en eventueel (groot-)ouders aan te spreken met u. Leeftijdsgenoten, vrienden en kinderen kun je ook in Frankrijk prima voor de eerste keer met ‘tu’ aanspreken. Daarnaast is ook ‘s’il vous plaît’ van belang bij het stellen van een vraag op een beleefde manier, een equivalent van ‘alstublieft’. Dit wordt op dezelfde manier gebruikt.
Beleefdheid wordt in het Frans veelal uitgedrukt door het gebruik van de conditionnel, in het Nederlands vaak vertaald met het werkwoord ‘zullen/zouden’. Voorbeelden hiervan zijn onder andere:
Je voudrais un café s’il vous plaît (Ik zou graag een kopje koffie willen, alstublieft);
Le tabac me dérange: pourriez-vous éteindre votre cigarette, s’il vous plaît? (Ik heb last van de rook; zou u uw sigaret kunnen uitmaken alstublieft?).
Maar ook in het betuigen van spijt wordt de conditionnel toegepast:
J’aurais aiméaller voir ce film, mais je n’ai pas eu le temps (Ik zou graag naar die film zijn gegaan, maar ik had helaas geen tijd).
Dit zijn allemaal voorbeelden van zinsconstructies waarin beleefdheid een rol speelt. In het Nederlands maken we hier op eenzelfde manier gebruik van en passen we ook regelmatig ‘zouden/zullen’ toe als we iets van iemand verlangen en dit op een vriendelijke manier willen vragen. Uiteraard is ook de intonatie van belang. Dit geldt voor beide talen.
In het Nederlands kunnen we ook op een andere, maar vriendelijke manier iets gedaan krijgen. Hiervoor gebruiken we vaak verkleinwoordjes. ‘Mag ik een kopje koffie?’ tegenover ‘mag ik een kop koffie?’ klinkt voor een Nederlander vaak al heel anders. Dit gebruik is in Frankrijk veel minder sterk. Het Frans kent wel verkleinwoordjes, maar kan ‘klein’ alleen aanduiden door een vorm van ‘petit’ voor het zelfstandig naamwoord te zetten: ‘un petit garçon’, vertaald: ‘een jongetje’, of ‘een klein jongetje’. Het gebruik van deze verkleinwoordjes is in het Frans wel gebruikelijk maar niet om beleefdheid uit te drukken.
3. Verwervingsfases in het Frans
Hieronder zullen de verschillende verwervingsfases voor het Frans worden uitgelegd. Er wordt vooral gefocust op de werkwoordsmorfologie en de woordenschatverwerving. De verwerving van het Frans verloopt via dezelfde fases als het Nederlands (zie schema) en vertoont dan ook veel overeenkomsten.
Pre-linguale fase In de pre-linguale fase reageert het kind op allerlei geluiden uit zijn/haar omgeving, zowel op geluiden van objecten als rinkelende glazen of de deurbel als op stemgeluiden van de ouders. Tussen de vijfde en zesde levensmaand ontwikkelt het kind al enige controle in de articulatie. Dit is te horen in het brabbelen van de baby. Al na zes maanden worden de klanken meer gelijkend op de moedertaal die het kind in zijn/haar omgeving hoort.
Losse woorden Tussen de negen en achttien maanden gaat het kind specifieke klanken koppelen aan objecten en mensen. Meestal zegt het kind rond het eerste levensjaar, tussen de negen en twaalf maanden, zijn eerste woordje. Papa en maman zijn in het Frans de meest frequente eerste woordjes van baby’s. Dit komt overeen met het Nederlands waarin klanken als ‘ba-ba’ en ‘pa-pa’ ook behoren tot één van de eerste uitingen. Deze fase noemen we de éénwoordfase. Hierin produceert het kind losse, geïsoleerde woorden die het koppelt aan een situatie, object, handeling of persoon. Deze woorden bevatten vaak nog clusterreductie en andere simplificatie in de uitspraak. Zo zeggen Franse kinderen vaak ‘a’voir’ voor au revoir en ‘pati‘ voor partir (weggaan) (Bernicot 1994, 1998b, 2009). ‘Broum-broum’ verwijst vaak naar alles dat rijdt en geluid maakt, zoals auto’s, vrachtwagens, motoren enzovoort. Dit komt overeen met het Nederlands. Na zestien maanden worden vaak de eerste voorzetsels, ontkenningen, bijwoorden en werkwoorden gebruikt. Dit allemaal nog in losse, geïsoleerde contexten. Tussen de vijftien en negentien maanden gaan Franse T1-leerders hun eerste werkwoorden produceren. In het begin (tot ongeveer twee en half jaar) zijn dit meestal nog onvervoegde werkwoorden als ‘moi pousser’ (ik duwen) of ‘monsieur conduire’ (meneer rijden) (Prévost 2009). De eerste vervoegde vormen zijn vaak ‘est’ van ‘être’, gebruikt als koppelwerkwoord of in de vorm van ‘c’est Jean’ (dat is Jean), of een gebiedende wijs ‘regarde!’ (kijk!).
Tweewoordfase Het kind komt vaak rond zijn tweede levensjaar in de tweewoordfase terecht. Hier komt ook meteen de eerste syntaxis de hoek om kijken, aangezien het kind nu een bepaalde volgorde van de twee woorden moet gaan bepalen. In het begin is deze volgorde nog arbitrair. Later komen hier de eerste regels van de grammatica bij die het kind verwerft. In deze tweewoorduitingen kan het kind relaties, handelingen, bezit, locatie en andere activiteiten duidelijk maken. Zo gebruiken Franse kinderen vaak ‘ama’ voor à moi, waarmee ze bezit van iets willen uitdrukken. Bijvoorbeeld: ballon ama ‘ballon à moi’ (bal van mij).
Driewoordfase In deze fase gaat het kind meer dan twee woorden produceren. In het Frans wordt deze fase opgedeeld in twee groepen, namelijk het produceren van naamwoordgroepen en werkwoordsgroepen. Onder de naamwoordgroepen wordt verstaan dat het kind bijvoorbeeld een onderwerp gaat produceren met een lidwoord ervoor en een bijvoegelijk naamwoord zoals: ‘une belle maison’. Voor de werkwoordsgroepen worden eerst losse werkwoorden verworven en later ook de verschillende tijden. De eerste werkwoordsvorm die door de Franse kinderen wordt verworven is het koppelwerkwoord ‘est’ (is). Voorbeeld: ‘le gâteau est bon’. Deze vorm wordt meestal nog voor de leeftijd van twee en half jaar verworven (Bernicot 1994, 1998b, 2009). Hierna volgen de vervoegingen van de (hulp)werkwoorden être en avoir. Vervolgens de infinitieven, de tegenwoordige tijd en de onvoltooid verleden tijd. Deze laatste vormen worden verworven tussen twee en half en vier jaar.
De eerste vervoegde vormen die volgen staan in de tegenwoordige tijd en dan vooral de enkelvoudsvormen. De meervoudsvormen worden later verworven. Nu komt dat voornamelijk doordat de enkelvoudsvormen maar één auditieve vorm kennen en dus gemakkelijk te gebruiken zijn. Ook komt dit doordat de meest gebruikte meervoudsvorm die van ‘on’ is, waarbij het werkwoord ook enkelvoudig vervoegd wordt. Het is dus niet nodig een meervoudsinflectie van het werkwoord te leren, omdat nous in de spreektaal maar sporadisch voorkomt. Wat opvalt is dat de derde persoon meervoud, ondanks de auditieve overeenkomst met de derde persoon enkelvoud, toch later verworven wordt. De laatste vorm in de tegenwoordige tijd die de Franse kinderen produceren is de –ons vorm van nous. Dit is niet verrassend, aangezien deze vorm in de spreektaal zeer weinig gebruikt wordt, en dus ook in de input van de kinderen weinig voor zal komen. Van de onregelmatige werkwoorden 'avoir', 'être' en 'aller' wordt de vorm die hoort bij de derde persoon enkelvoud sterk overgegeneraliseerd: 'a', 'est' en 'va'.
Rond het tweede levensjaar gaan de Franse kinderen gebruik maken van de werkwoordstijd en wordt naast de présent het voltooid deelwoord geleerd. Dit wil niet meteen zeggen dat deze altijd correct overeenkomt met het onderwerp. Bijvoorbeeld: ‘ils est tout tombé’ (Prévost, 2009). In deze zin wordt wel gebruik gemaakt van een participe (voltooid deelwoord) maar wordt het hulpwerkwoord nog niet aangepast aan het onderwerp ‘ils’.
Meerwoordfase
Langzaam maar zeker komen de kinderen in een overgangsfase, wordt de derde persoon enkelvoud minder gebruikt en vinden we meer juist vervoegde vormen als ‘je vais’ in plaats van ‘jeva’. Dit geldt vooral voor de onregelmatige werkwoorden ‘être’, ‘avoir’ en ‘aller’. Dit zijn, over het algemeen, de eerst geleerde finiete werkwoorden waarbij T1-leerders congruentie correct gaan toepassen. Een reden hiervoor kan zijn dat dit zeer frequente werkwoorden zijn. Als er sprake is van inflectiefouten dan komt dat meestal doordat de derde persoon enkelvoud wordt overgegeneraliseerd. Omgekeerd zijn er geen inflectiefouten gevonden in de productie bij T1-leerders (Prévost, 2009). Zo komt ‘papa vont’ en ‘des motos vais’ nooit voor, maar vinden we in kinderspraak wel ‘des motos va’.
Het gebruik van subject clitics wordt door Franse kinderen al snel correct gedaan. Dit komt deels doordat het werkwoord in de klank geen onderscheid maakt, waardoor het subject clitic het onderwerp aangeeft. Deze subject clitics gebruiken de Franse kinderen al rond hun tweede jaar. Wanneer de kinderen gebruik maken van subject clitics komen deze altijd voor met een finiet werkwoord (Prévost, 2009). Dit geeft aan dat de eerste finiete vormen bij Franse moedertaalleerders al snel geleerd worden.
Rond het vierde levensjaar produceren Franse kinderen de eerste vormen van de toekomende tijd. Hierbij gaat het om een toekomende tijd met behulp van het werkwoord gaan (aller), zoals ‘il va venir’ en ‘ça va être mon anniversaire bientôt’. De futur simple wordt pas later verworven. In deze fase ontstaan dus de eerste volzinnen en ook samengestelde zinnen. Vormen van de imparfait (verleden tijd, bijvoorbeeld: was) en de conditionnel (voorwaardelijke wijs, bijvoorbeeld: zou …) zijn enkele van de laatste vormen die verworven worden. Deze vormen worden vaak pas geleerd tussen vijf- en zesjarige leeftijd.
Differentiatie en voltooiingsfase Met vijf jaar gebruikt het kind de meeste vormen en tijden van het werkwoord. Het gebruikt deze echter niet alleen om de plaats van de handeling in de tijd aan te geven, maar vooral om het aspect van de handeling aan te geven. Specifieker: of een handeling nog bezig is, of om juist het resultaat van een handeling weer te geven. Een voorbeeld om onderscheid te maken tussen het plaatsvinden van de handeling en het resultaat ervan: ‘il mangeait du caviar’ / ‘il a mangé du caviar’ (Bernicot 1994, 1998b, 2009). Zo komt een imparfait bij kinderen vaak niet voor om aan te geven dat deze handeling op de achtergrond plaatsvond voordat er een nieuwe handeling ontstond, zoals volwassenen de imparfait gebruiken in het Frans, maar gebruiken kinderen de imparfait eerder om een voorstelling/verbeelding te uiten. Bijvoorbeeld tijdens een spelletje: ‘j’étais le gendarme et toi le voleur’ (jij was de politieagent en ik de dief).
Wat betreft de syntaxis komt het Frans sterk overeen met het Nederlands in de verwervingsvolgordes. Allereerst kent het Frans net als het Nederlands een SVO volgorde. Het Frans kan deze volgorde veranderen bij vragen en passieve zinnen op dezelfde manier als in het Nederlands. De verwerving hiervan loopt vrijwel gelijk, met als uitzondering zinnen met een betrekkelijk voornaamwoord. Hierbij kan in het Frans gewerkt worden met de betrekkelijke voornaamwoorden ‘qui’ en ‘que’ waarbij men het onderwerp en het object kan verwisselen in de zin: SVO of OVS. Wanneer gebruik wordt gemaakt van ‘qui’ verwerven de Franse kinderen dit voor hun vijfde levensjaar, maar bij ‘que’ wordt het besef van de mogelijkheid van het verwisselen van het object en onderwerp pas zeer laat verworven, namelijk tussen tien en elf jaar. ‘Que’ wordt wel al gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord in zinnen waarbij men het onderwerp en object niet kan verwisselen. Voor meer details, zie Bernicot (1994, 1998b, 2009).
De algemene verwerving en uitbreiding van de syntaxis bij Franse kinderen wordt kort weergegeven in Figuur 2. Er is hier een scheiding in onderwerp (naamwoordelijk deel) en gezegde (werkwoordelijk deel). Kinderen breiden hun zinnen langzaam uit door het onderwerp uit te breiden met bijvoorbeeld een adjectief en/of door de werkwoorden uit te breiden met een bijwoord of tijdsbepaling.
Figuur 2. Boomstructuur opbouw Franse zinsconstructie (Bernicot, 1998b).
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Frans
Er is al veel onderzoek gedaan naar de verwerving van het Frans in combinatie met taalontwikkelingsstoornissen. Om een zo compleet mogelijk beeld te geven wordt er gefocust op de werkwoordsverwerving van kinderen die Frans leren. Allereerst gaan we kijken hoe de verwerving van de werkwoorden verloopt bij tweetalige kinderen vergeleken met eentalig Franssprekende kinderen, vervolgens vergelijken we moedertaalsprekers van het Frans met kinderen met een taalstoornis in het Frans en tot slot kijken we kort naar het verloop van de verwerving bij T2-leerders van het Frans.
Werkwoordsverwerving bij tweetalige kinderen (waarvan één taal Frans) Bij tweetalige kinderen verloopt de verwerving van de werkwoorden bijna gelijk met die van moedertaalsprekers van het Frans. In eerste instantie gebruiken de tweetalige kinderen net als de eentalige kinderen vooral infinitieven als werkwoorden zonder deze te vervoegen. Dit doen zij tot ongeveer twee en half jaar, net als de moedertaalsprekers (Prévost, 2003). Bij een mean length of utterance van 3.0 gebruiken de kinderen nog ongeveer 20% infinitieven. Ook voor de tweetalige kinderen geldt dat zij rond hun tweede levensjaar de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd verwerven en gaan gebruiken, net zoals de moedertaalsprekers, zoals hierboven uitgelegd onder kopje 3. De passé composé en de futur worden ook door tweetaligen pas later verworven. De imparfait wordt wel later verworven door tweetalige dan door eentalige kinderen.
Twee tot vier maanden nadat de kinderen gebruik gaan maken van de derde persoon enkelvoud gaan ze ook de eerste en tweede persoon enkelvoud gebruiken. Rond 2;7-2;8 jaar wordt ook de derde persoon meervoud gebruikt (Prévost, 2003).
Paradis en Genesee (1996, 1997) hebben onderzoek gedaan naar de snelheid waarmee kinderen vervoegde (finiete) werkwoorden verwerven in het Frans ten opzichte van het Engels. Het gaat hier om tweetalige kinderen. Ze hebben twee studies gedaan naar vijf tweetalige kinderen (Engels-Frans). Hieruit concludeerden Paradis en Genesee dat finiete vormen eerder worden geleerd in het Frans dan in het Engels. Dit is onafhankelijk van of er meer input is in het Engels of Frans en van of Engels of Frans de dominante taal is. Pierce (1992) concludeerde eerder al dat dit bij eentalige kinderen ook geldt. Eentalige Franse kinderen verwerven finiete vormen eerder dan eentalig Engelssprekende kinderen.
Het komt ook voor dat tweetalige kinderen in hun beide talen tegelijkertijd vervoegde werkwoorden gaan produceren. Dit toont Meisel (1994) aan in zijn onderzoek naar Duits-Frans tweetaligen. Schlyter (2003) daarentegen geeft aan de productie van vervoegde werkwoorden voor tweetaligen Frans-Zweeds wel afhankelijk is van de dominantie van de talen. Maar zoals ook geldt voor eentalige Franse kinderen, is de derde persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd, de eerst voorkomende vorm van een vervoegd werkwoord. Dit geldt ook voor tweetalige kinderen. Er is een groter verschil tussen één- en tweetalige kinderen wat betreft het gebruik van subject clitics. Deze komen, zoals onder kopje 3 beschreven, bij eentalige kinderen al vrij snel veelvuldig voor. Bij tweetalige kinderen is dit anders. Tot twee en half jaar produceren zij geen subject clitics (Prévost 2003). Dit wordt bevestigd door Paradis en Genesee (1996,1997), Schlyter (2003) en Hulk (2000, 2004). Laatstgenoemde heeft onderzoek gedaan naar tweetaligheid bij een Nederlands-Frans meisje, Anouk (zie literatuuroverzicht voor meer informatie). In alle hiervoor genoemde onderzoeken wordt eenduidig aangegeven dat wanneer tweetalige kinderen eenmaal subject clitics gaan gebruiken in het Frans, ze deze wel altijd gebruiken mét een vervoegd werkwoord. Ten opzichte van eentalige leerders produceren de tweetalige kinderen dus later pas subject clitics, maar zodra deze voorkomen, worden ze wel gebruikt in combinatie met bijbehorend finiet werkwoord.
Tot slot wordt het werkwoord al vanaf het begin op de correcte plaats in de zin gezet, zowel bij een- als tweetaligen (Prévost, 2003). Dit geldt ook voor zinnen met een ontkenning, waarbij het Frans natuurlijk een dubbele ontkenning heeft.
Werkwoordsverwerving bij kinderen met een taalontwikkelingsstoornis Ook voor de groep kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) geldt dat zij beginnen met het produceren van infinitieven. De eerste vervoegde vorm die wordt geproduceerd door kinderen met een TOS is de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Dit is gelijk aan normaal ontwikkelende kinderen en tweetalige kinderen. Het grote verschil is dat kinderen met een TOS significant langer in deze fase blijven zitten voordat zij ook andere finiete werkwoorden gaan produceren (Prévost, 2003). Zo komen bij kinderen met een TOS infinitieven voor tot ruim vijf jaar, terwijl dit bij normaal ontwikkelende kinderen slechts tot twee en half jaar is. Kinderen met een TOS blijven dus significant langer infinitieven produceren in een context die vraagt om een vervoegd werkwoord dan normaal ontwikkelende kinderen.
Paradis en Crago (2001) bevestigen dit in hun studie naar taalontwikkelingsstoornissen bij Franssprekende kinderen. Ook zij concluderen dat kinderen met een TOS significant langer en vaker gebruik maken van infinitieven, ook al vraagt de context om een finiet werkwoord. De eerste vervoegde werkwoorden komen alleen voor in de tegenwoordige tijd en dan alleen de enkelvoudsvormen. Opvallend is wel dat de productie van de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd bij kinderen met een TOS voor 96% correct is, zoals ‘suis’ en ‘ai’.
De passé composé en de futur worden significant later verworven. Als kinderen met een TOS toch gebruik gaan maken van een futur is dit meestal in de vorm van het werkwoord ‘aller’ met daarachter een infinitief (Prévost 2003, Paradis & Crago 2001). Aller betekent gaan, en geeft daardoor in combinatie met een infinitief wel een toekomende tijd aan, zonder werkwoorden te vervoegen volgens de regels van de futur simple. Ook dit is een vorm van overgeneralisering van het gebruik van infinitieven.
Uiteindelijk, rond hun tiende levensjaar gaan ook kinderen met een TOS gebruik maken van een verleden tijd, te weten de passé composé (Paradis & Crago, 2001). Toch wordt hierbij vaak alleen het participe (voltooid deelwoord) geproduceerd en wordt het hulpwerkwoord weggelaten. Bijvoorbeeld: ‘mamanØ bu’ in plaats van ‘maman a bu’. Het weglaten van het hulpwerkwoord is een algemeen kenmerk in de taalproductie van kinderen met een TOS, ook in andere talen dan het Frans (Prévost 2003, Jakubowicz & Nash 2001). Het gebruik van het participe is in het Frans soms ook lastig te onderscheiden. Dit komt omdat het verschil met de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd niet altijd hoorbaar is. Zo is het verschil tussen ‘il finit’ en ‘il a fini' niet te horen, zeker niet als kinderen het hulpwerkwoord weglaten. Hierdoor is het soms lastig om aan te geven wanneer kinderen precies een voltooide tijd gaan produceren. Ook het gebruik van subject clitics komt significant later bij kinderen met een TOS (Prévost 2003). Maar hiervoor geldt net als bij normaal ontwikkelende kinderen dat áls de kinderen eenmaal gebruik gaan maken van subject clitics, deze wel bijna altijd (volgens Paradis & Crago in 90% van de gevallen) voorkomen in combinatie met een finiet werkwoord. De studie van Jakubowicz en Nash (2001) spreekt dit deels tegen. Zij hebben namelijk ook taalproducties van kinderen met een TOS gevonden waarin wel een infinitief werd gebruikt in combinatie met een subject clitic. Een laatste veelvoorkomend probleem in de werkwoordproductie bij kinderen met een TOS is de werkwoord-agreement in het meervoud. Ook Franse kinderen met een TOS hebben hier problemen mee, ook volgens de studie van Roulet-Amiot (2008). Zij heeft dertien kinderen met een TOS en vijftien normaal ontwikkelende kinderen plaatjes laten koppelen aan een zin. Op een computerscherm zagen de kinderen een plaatje met daaronder een zin in het enkelvoud of meervoud. Naar aanleiding van het plaatje moesten ze kiezen tussen de meervouds- of enkelvoudsvorm. Eén van de voorbeelden was een plaatje van een jongen die naar school ging, met daaronder de volgende zinnen:
Le garçon va à l’école (De jongen gaat naar school);
Le garçon *vont à l’école (De jongen *gaan naar school).
Hieruit concludeerde zij dat kinderen met een TOS meer fouten maakten en gevoeliger waren voor het gebruik van enkelvoud dan meervoud, ook al werd een meervoudscontext gevraagd.
Een andere studie is uitgevoerd door Pizziolo en Schelstraete (2008), waarin zij onderzoek deden naar het weglaten van grammaticale morfemen bij kinderen met en zonder TOS en of het gebruik hiervan afhankelijk was van de zinslengte en de grammaticale complexiteit van de zin. Hierbij hebben zij gekeken naar de omissie van lidwoorden en hulpwerkwoorden. De zinscomplexiteit veranderden de onderzoekers door gebruik te maken van transitieve en intransitieve werkwoorden. De zinslengte werd aangepast door het toevoegen van betekenisloze bijvoeglijke naamwoorden. Naar aanleiding van hun onderzoek concludeerden Pizziolo en Schelstraete dat kinderen met een TOS inderdaad vaker de lidwoorden en hulpwerkwoorden weglaten dan normaal ontwikkelende kinderen. Dit was echter niet afhankelijk van de zinslengte, maar de grammaticale complexiteit van de zin had wel invloed.
Eerdere onderzoeken hebben ook al uitgewezen dat Franssprekende kinderen met een TOS vaker hulpwerkwoorden weglaten (Methé & Crago, 1996). Wat opvalt is dat de kinderen het hulpwerkwoord ‘a’ van ‘avoir’ wel weglaten ten opzichte van het voorzetsel 'à'. Paradis & Crago (2001) hebben hier onderzoek naar gedaan en concludeerden inderdaad dat grammaticale complexiteit een rol speelt, omdat de kinderen veel vaker het hulpwerkwoord ‘a’ weglaten dan het voorzetset 'à'. Er is ook al eerder onderzoek gedaan naar de omissie van lidwoorden in het Frans. Ten opzichte van normaal ontwikkelende kinderen laten kinderen met een TOS de lidwoorden significant vaker weg. Toch doen zij dit opvallend minder vaak dan kinderen met een TOS in andere talen (LeNormand 1993, Paradis et al. 2003). Het onderzoek van Thordardottir (2007) spreekt dit echter weer tegen.
Samengevat: Franse kinderen met een TOS hebben moeite met het correct vervoegen van werkwoorden in de juiste context. Ze gebruiken significant langer een infinitief op de plek van een vervoegd werkwoord en ze verwerven significant later pas andere werkwoordstijden zoals de toekomende tijd en de voltooide tijd. De imparfait wordt nog weer later verworven. Ook het gebruik van subject clitics is bij Franssprekende kinderen met een TOS sterk vertraagd. Toch wanneer zij hier gebruik van gaan maken, komen deze clitics wel voor met een vervoegd werkwoord. Bovendien is er veel variatie tussen kinderen met een TOS onderling. Het ene kind lijkt meer last te hebben van de TOS en heeft meer moeite om de taal te verwerven dan een ander kind (Prévost, 2003). Er is zeer veel onderzoek gedaan en literatuur beschikbaar over het Frans in combinatie met een TOS. Hieronder de onderzoeken die aan bod zijn gekomen. In het literatuuroverzicht zijn ook nog andere onderzoeken opgenomen die hier verder niet besproken zijn vanwege de lengte van de tekst.
Werkwoordsverwerving bij kinderen die Frans leren als T2 Voor het leren van Frans als T2 houden we dezelfde normen aan als Prévost (2003) in zijn boek. We doelen hiermee op het leren van de Franse taal na het vierde levensjaar. Kinderen die Frans als tweede taal leren, doorlopen bijna hetzelfde proces als moedertaalsprekers. De eerste werkwoorden zijn vaak infinitieven en de eerste vervoegde vormen zijn allemaal in de tegenwoordige tijd, waarbij ook eerst de enkelvoudsvormen worden geleerd (Prévost, 2003) en daarna pas de meervoudsvormen. De werkwoordsplaatsing in de zin verloopt meestal vanaf het begin meteen correct. Er zijn weinig T2-leerders die het werkwoord op de verkeerde plek in de zin plaatsen.
De eerste vervoegde vormen worden meestal meteen correct gebruikt, al wordt de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd nog wel eens overgegeneraliseerd en als 'default' vorm gebruikt. Wat opvalt is dat kinderen die Frans als T2 verwerven ook meteen al subject clitics produceren. Dit komt waarschijnlijk omdat de kinderen al gewend zijn een subject clitic met een vervoegd werkwoord te gebruiken in hun T1. De werkwoordsinflectie wordt dan ook relatief snel geleerd.
Ook de onregelmatige werkwoorden worden snel correct vervoegd (Prévost 2003, naar zijn onderzoek uit 2001). De meest voorkomende fout is ook bij T2-leerders het overgeneraliseren van de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Nadat de tegenwoordige tijd onder de knie is, verwerven veel T2-leerders de passé composé en daarna de futur. Deze volgorde komt dus overeen met T1 leerders en ook met tweetalige kinderen. Pas later worden de imparfait en de conditionnel verworven.
Het enige grote verschil bij T2-leerders is code-switching en het gebruik van een zogenoemde tussen-grammatica. Dat wil zeggen: een deel van de grammaticale regels uit de T1 wordt ook toegepast in de T2. Voor volwassenen geldt dezelfde verwervingsvolgorde bij het leren van het Frans als T2, alleen hebben zij langer nodig om de inflectie van de werkwoorden goed toe te passen en gebruiken zij langer infinitieven op plekken waar eigenlijk vervoegde werkwoorden horen te staan. We zullen niet verder ingaan op de T2 bij volwassenen. Voor meer info: zie Prévost (2003).
Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden die Franssprekende kinderen met een TOS maakten.
Gemiddelde leeftijd van 7.
Bron: Paradis en Crago (2001)
Twee bovenstaande afbeeldingen: leeftijden tussen haakjes achter elke uiting. Bron: Jakubowicz en Tuller (2008).
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Gezien de bovenstaande informatie zijn er twee belangrijke punten naar voren gekomen die het verschil tussen T2-verwerving en een TOS duidelijk kunnen maken. Op deze punten zou er een aanwijzing kunnen zijn voor een TOS en dit zou onderscheid kunnen maken tussen problemen met het leren van Nederlands als T2 en het hebben van een TOS in de moedertaal Frans. Allereerst is het gebruik van infinitieven in plaats van vervoegde werkwoorden in het Frans een aanwijzing tot een TOS. Prévost (2009) geeft in zijn boek aan dat bij kinderen met een TOS infinitieven kunnen worden gebruikt tot wel hun vijfde levensjaar, terwijl normaal ontwikkelende kinderen geen infinitieven meer gebruiken in een context die vraagt om een finiet werkwoord na ongeveer twee en half jaar. Een goede vraag aan ouders/verzorgers van een kind dat Frans als moedertaal heeft en Nederlands leert als tweede taal, is dus of het kind (afhankelijk van de leeftijd) de werkwoorden in de tegenwoordige tijd al correct vervoegt en of het kind het vervoegde werkwoord aanpast aan het onderwerp op basis van aantal, persoon en geslacht. Het niet koppelen van de juiste werkwoordsvorm aan de persoon (je, tu, il, elle, enzovoort) kan duiden op een TOS. Vooral het langdurig overgeneraliseren van de derde persoon enkelvoud of het gebruik van een infinitief op die plaats kan een aanwijzing zijn. Een andere aanwijzing is het gebruik de passé composé of de futur. Tabel 4 uit het onderzoek van Paradis en Crago (2001) geeft aan dat kinderen met een TOS (in de tabel aangeduid met SLI) significant slechter presteren op het correct gebruiken van een passé composé of futur.
Tabel 4. Nauwkeurigheid werkwoordstijden door kinderen met TOS (Paradis & Crago, 2001).
Een ander kenmerk is het nog niet gebruiken van subject clitics. Kinderen met een TOS produceren uiteindelijk wel subject clitics, maar sterk vertraagd en dus pas op veel latere leeftijd dan normaal ontwikkelende kinderen. Ook kan worden gelet op het regelmatig weglaten van lidwoorden en vooral hulpwerkwoorden, echter het langdurig gebruik van infinitieven is waarschijnlijk de beste aanwijzing.
Literatuur
Bernicot, J. (1994). L'acquisition du langage: Étapes et théories. In R. Ghiglione, & J. F. Richard (Red.). Cours de psychologie tome 3: Champs et théories. Parijs, Frankrijk: Dunod/CNED.
Bernicot, J. (1998). L'acquisition du langage: Étapes et théories. In R. Ghiglione, & J. F. Richard (Red.). Développement et intégration des fonctions cognitives. Cours de Psychologie. Vol. 3 (pp. 420-439). Parijs, Frankrijk: Dunod.
Delatour, Y., Jennepin, D., Léon-Dufour, M., & Teyssier, B. (2012). Nouvelle gramaire du français: Cours de civilisation française de la Sarbonne. Parijs, Frankrijk: Hachette Livre.
Hamann, C., Ohayon, S., Dubé, S., Frauenfelder, U. H., Rizzi, L., Starke, M., & Zesiger, P. (2003). Aspects of grammatical development in young French children with SLI. Developmental Science, 6, 151-158.
Hawkins, R., & Towell, R. (2015). French grammar and usage. Routledge. (p.381, 410, 412)
Hulk, A. (2004). The acquisition of the French DP in a bilingual context. In P. Prévost, & J. Paradis (Red.). The acquisition of French in different contexts: Focus on functional categories (pp. 243-275). Amsterdam, Nederland: John Benjamins.
Jakubowicz, C., & Nash, L (2001). Functional categories and syntactic operations in (ab)normal language acquisition. Brain and Language, 77, 321-339.
Jakubowicz, C., & Tuller, L. (2008). Specific language impairment in French.Studies in French applied linguistics, 97-133.
Jisa, H. (2003). L’acquisition du langage: Ce que l'enfant nous apprend sur l'homme. Enfant et Apprentissage, 40, 115-132.
Kail, M. (2003). L'acquisition du langage, PUF, coll. « Psychologie et sciences de la pensée ». Deux volumes.
LeNormand, M. T., Leonard, L. B., & McGregor, K. K. (1993). A cross-linguistic study of article use by children with specific language impairment. European Journal of Disorders of Communication, 28, 153-163.
Matter, J. F. (2007). Uitgesproken Frans. Amsterdam, Nederland: Editions ‘De Werelt’.
Meisel, J. M. (1994). Bilingual first language acquisition: French and German grammatical development. Amsterdam, Nederland: John Benjamins.
Methé, S., & Crago, M. (1998). Verb morphology in French children with language impairment. Madison, Wisconsin.
Neijt, A. (1991). Universele fonologie. Dordrecht, Nederland: Foris Publications.
Paradis, J., & Crago, M. (2001). The morphosyntax of specific language impairment in French: Evidence for an extended optional default account. Language Acquisition, 9, 269-300.
Paradis, J., & Genesee, F. (1996). Syntactic acquisition in bilingual children: Autonomous or interdependent? Studies in Second Language Acquisition, 18, 1-25.
Paradis, J., & Genesee, F. (1997). On continuity and the emergence of functional categories in bilingual first language acquisition. Language Acquisition, 6, 91–124.
Pizzioli, F., & Schelstraete, M.-A. (2008). Argument-structure complexity in children with specific language impairment: evidences from the use of grammatical morphemes in French. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 51, 1–16.
Prévost, P. (2009). The acquisition of French: The development of inflectional morphology and syntax in L1 acquisition, bilingualism and L2 acquisition. Amsterdam, Nederland: John Benjamins.*
Roulet-Amiot, L. (2008). Traitement de l'accord grammatical chez dez enfants atteints d'un trouble spécifique du développement du language. Lille, Frankrijk: Atelier National de Reproduction des Thèses.
Schlyter, S. (2003). Stades de développement en français L2: Exemples d'apprenants suédophones, guidés et non-guidés, du 'Corpus Lund'.
Schlyter, S. (2003). Development of verb morphology and finiteness in children and adults acquiring French. In C. Dimroth, & M. Starren (Red.). Information structure, linguistic structure, and the dynamics of learner language. Amsterdam, Nederland: John Benjamins.
Bernicot, J., & Bert-Erboul, A. (2009). L'acquisition du langage par l'enfant.Parijs, Frankrijk: InPress.
Literatuur over IPA (Frans: API)
Canepari, L. (2005a). A handbook of phonetics. München, Duitsland: Lincom Europa.
Canepari, L. (2005b). A handbook of pronunciation: English, Italian, French, German, Spanish, Portuguese, Russian, Arabic, Hindi, Chinese, Japanese, Esperanto. München, Duitsland: Lincom Europa.
International Phonetic Association. (1999). Handbook of the International Phonetics Association: A Guide to the Use of the International Phonetic Alphabet. Cambridge, Verenigd Koninkrijk: Cambridge University Press.
Martinet, A. (1970). Éléments de linguistique générale. Parijs, Frankrijk: Armand Colin.
Een nevenschikking, bestaande uit meerdere hoofdzinnen, worden vaak met elkaar verbonden door de volgende voegwoorden: ‘et’ (en), ‘car’ (want), ‘mais’ (maar), ‘ou’ (of) en ‘donc’ (dus).
Onderschikkingen, bestaande uit een hoofd- en bijzin, kunnen ook samengesteld worden door voegwoorden, zoals ‘quoique’ (hoewel) voor een tegenstelling en ‘quand’ (wanneer) voor een voorwaarde of oorzaak. Een hoofd-en bijzin kunnen ook gekoppeld worden middels betrekkelijke voornaamwoorden. In het Frans worden de woorden qui, que of où dan vaak gebruikt aan het begin van een betrekkelijke bijzin. ‘Qui’ wordt gebruikt als het onderwerp in de bijzin is, ‘que’ wordt gebruikt als lijdend voorwerp en ‘où’ als verwijzing naar een tijd of plaats. In het Nederlands wordt hiervoor die of dat gebruikt.
Bij een onderschikking, die bestaat uit een hoofdzin en bijzin, is de volgorde in de hoofdzin in het Frans vaak eerst het onderwerp en dan het werkwoord. In het Nederlands is dit soms echter andersom wanneer de bijzin vooraan staat (inversie). Een voorbeeld: Après que sa femme est morte, il a déménagé à Nadat zijn vrouw was overleden, verhuisde hij.
Frans
Auteur van deze pagina: Regien Vijzelaar & Britt VoortmanTable of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Frans verschilt in enkele opzichten van het Nederlands. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en syntaxis in de Nederlandse taal als gevolg van transfer. Als deze problemen in het Nederlands worden geconstateerd, hoeft dit dus geenszins op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.Fonologie
De Nederlandse diftongen /ui/, /ei/-/ij/ en /ou/-/au/ zijn ongebruikelijk in het Frans. Daarnaast kent het frans de Nederlandse /g/ [x], de uitgesproken /h/, de hard uitgesproken /w/ en de glottisstop [ʔ] niet.
Morfologie
Werkwoorden
Veel van de werkwoordinflectie is niet hoorbaar in het Frans, terwijl er in het schrift wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de werkwoordsvervoegingen. In gesproken Frans is er echter geen verschil te horen tussen de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud en de derde persoon meervoud. Voor jonge kinderen die het schrift in het Frans nog niet beheersen, zal deze vorm van vervoeging in het Nederlands nieuw zijn.
Verkleinwoorden
Het verkleinsuffix, zoals dat gebruikt wordt in het woord hondje, is onbekend voor Franse moedertaalsprekers. De Fransen duiden aan dat iets klein is door het woord 'petit' voor het zelfstandig naamwoord te zetten als in ‘un petit garçon’. Nederlandse verkleinwoorden kunnen daarom lastig zijn voor kinderen met Frans als T1.
Syntaxis
Pragmatiek
Op het gebied van pragmatiek worden er geen bijzonderheden verwacht.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands.
Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Frans.
Fonologie
Morfologie
Syntaxis
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.Vragenlijst in relatie tot problemen in het Frans.
Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Morfologie
Syntaxis
1. Algemene informatie over het Frans
Het Frans wordt door ongeveer 110 miljoen mensen gesproken en is daarmee de 15e taal in de wereld. Het kent een groot aantal dialecten die zowel verspreid door Frankrijk worden gesproken als buiten Frankrijk. Het Frans heeft in 42 landen een officiële status en wordt in 31 landen als officiële taal gesproken. Bovendien wordt het door veel minderheden gesproken in voornamelijk Afrika en Azië. De meeste landen zijn oud-koloniën van Frankrijk en hebben de taal als bestuurstaal aangehouden (zie Figuur 1).
De grootste dialecten zijn het Québécois, het Frans dat in Canada wordt gesproken en het Zwitser-Frans in Zwitserland. Ook het Waals heeft een aparte status als streektaal. En zo zijn er nog een flink aantal streektalen binnen Frankrijk zelf, zoals het Bretons, Provençaals en Bourgondisch. Toch overheerst het standaard-Frans, al worden de streektalen tegenwoordig wel getolereerd.
Als schrift kent het Frans slechts het standaard-Frans. Er is dus ook maar één grammatica, ondanks alle dialecten. Omdat het van het Latijn afkomstig is, wordt gebruik gemaakt van het Latijnse schrift, net als in het Nederlands. Wel zijn er een aantal klanken die het Nederlands niet kent en waarvoor schrijfwijzen worden gebruikt die voor Nederlanders niet altijd even eenduidig lijken, zoals de nasale klinkers, halfklinkers (Frans: semi-voyelles) en de geschreven ‘ç’.
Figuur 1. Overzicht van het gesproken Frans over de wereld (bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Frans).
2. Specifieke informatie over het Frans
Het Frans is ontsprongen aan het Latijn en valt daarmee onder de Romaanse talen. Het is net als het Nederlands een analytische taal (een taal met weinig morfologie) met een SVO-woordvolgorde (subject-verb-object). Toch heeft het Frans ook kenmerken van de Germaanse talen, met name het Keltisch, zoals het telsysteem (de Fransen gebruiken quatre-vingts, te weten "vier twintigen" voor tachtig) en de dubbele ontkenning ne… pas. Verder kent het Frans een flink aantal klankverschuivingen zoals verbindingen en hiaatdelging, hierover meer in onderstaand stuk.
Fonologie
Zoals hierboven al genoemd, kent het Frans veel klankverschuivingen. Dit soort verschuivingen ontstaan voornamelijk bij medeklinkers die een andere klank krijgen door de klankomgeving waarmee ze een verbinding (liason) maken. Zo kent de /s/ meerdere verschijningsvormen. De /s/ van nous wordt bijvoorbeeld niet uitgesproken in ‘wij doen’, nous faisons [nufɛzɔ̃], maar wel in ‘wij hebben’, nous avons [nuzavɔ̃]. Interessant genoeg krijgt de /s/ van nous hier bovendien een z-klank. Dit is afhankelijk van de klanken in de omgeving van de /s/. Tussen twee klinkers in verandert de /s/ in een z-klank, en tussen een klinker en een medeklinker verdwijnt de klank, tenzij deze medeklinker een s-klank is (nous sommes). Dit geldt niet alleen voor de /s/. De /g/ kent ook meerdere uitspraken, vergelijk maar eens de uitspraak van garçon [garsɔ̃] met gentil [ʒɑ̃ti].
Een ander soort klankverschuiving dat in het Frans regelmatig voorkomt is hiaatdelging. Hiaatdelging vindt plaats wanneer er een 'hiaat' onstaat tussen twee klinkers in de uitspraak. Zo wordt de /n/ in mon chéri niet uitgesproken, maar de /n/ in mon ami wel. Sterker nog, ma chérie kent helemaal geen tussen-n, maar mon amie wel. Omwille van de hiaatdelging wordt bij mon amie de mannelijke vorm van het bezittelijk voornaamwoord gebruikt, ondanks dat amie vrouwelijk is. Meestal is hiaatdeling een puur auditief verschijnsel, maar in het Frans is het ook terug te vinden in de schrijftaal. De vragende vorm van il y a wordt y-a-t-il en deze zogenaamde 't-euphonique' wordt ook in schrijftaal weergeven. Het Nederlands kent ook hiaatdelging, maar alleen in de spreektaal. De /n/ is een veelgebruikte hiaatdelger in het Nederlands, zoals in de zin: Zie je-n-et nou of niet?. Hiaatdelging in het Nederlands is echter niet terug te vinden in het schrift in tegenstelling tot het Frans.
Daarnaast kent het Frans een viertal nasale klinkers. Deze zijn voor het Nederlands onbekend. Het bekende zinnetje ‘un bon vin blanc’, bevat alle neusklanken van het Frans en is voor veel Nederlanders een struikelblok. Daarentegen kent het Nederlands ook weer klanken die voor het Frans onbekend zijn, zoals de consonantclusters in bijvoorbeeld ‘herfst’ en de ‘sch’ klank in ‘schrijven’. Ook de diftongen in het Nederlands zijn ongebruikelijk in het Frans, denk maar eens aan de ‘ui’, ‘ei/ij’ en ‘ou’/’au’. Het Frans kent dan weer ‘semi-voyelles’, semi- of halfklinkers die op een andere manier worden uitgesproken. Er zijn drie semi-voyelles in het Frans, zogenaamde klinkers die niet tot een lettergreep behoren, maar samen met een andere klinker een diftong vormen die wel tot een lettergreep behoort. Voorbeelden hiervan zijn onder andere feuille, yeux en huile. In het overzicht hieronder zal voor alle drie de semi-voyelles een voorbeeld worden gegeven (zie Tabel 1). Daarnaast zal het overzicht van alle klinkers in zowel het Frans als het Nederlands een voorbeeld geven. Het betreft alle orale klinkers. De schrijfwijze wordt verder buiten beschouwing gelaten aangezien die voor deze Wiki niet relevant is, omdat we onderzoek doen naar taalstoornissen bij kinderen en daarmee de focus leggen op de mondelinge taal. In de tabel zijn de overeenkomstige klinkers in beide talen zo goed mogelijk tegenover elkaar gezet. Hierdoor is gemakkelijk te zien welke klanken beide talen kennen en welke klanken specifiek zijn voor de talen.
Tabel 1. Overzicht klinkers in het Frans en het Nederlands.
Zoals in de tabel hierboven te zien is, zijn er flink wat verschillen tussen het Frans en het Nederlands. Zo valt op dat de 'i' in het Nederlandse pit in de Franse uitspraak niet voorkomt. De semi-voyelles in het Frans en de diftongen van het Nederlands zijn niet met elkaar te vergelijken, deze zijn namelijk specifiek voor beide talen. Voor de nasale klinkers van het Frans zijn bovendien geen Nederlandse equivalenten.
Ook in de medeklinkers zijn er verschillen tussen het Nederlands en het Frans. Zoals eerder genoemd, kent het Nederlands consonantclusters die voor het Frans onbekend zijn. Verder is de /ch/ als ‘harde g’ [x] in ‘lachen’ onbekend voor het Frans, net als de /g/ van ‘geel’ [ɣ]. Verder kent het Frans geen uitgesproken /h/ zoals het Nederlandse ‘hard’ en ook de glottistop [ʔ] in bijvoorbeeld ‘middag’ is ongebruikelijk in het Frans. Tot slot kennen de Fransen geen harde uitgesproken /w/, maar alleen een zeer sterke stemhebbende /v/. Voorbeelden hiervan staan in het overzicht van de medeklinkers hieronder (Tabel 2).
Andersom kent het Frans ook klanken van medeklinkers die voor de Nederlanders ongebruikelijk zijn, zoals [ʃ] in chat en de [ʒ] van jupe. Tot slot lijken de klanken [ɲ] van het Franse peigne en de [ŋ] van het Nederlandse ‘zingen’ wel erg op elkaar, maar zijn ze wel degelijk verschillend. Tabel 2 geeft een overzicht. Ook deze tabel is zoveel mogelijk geordend op de overeenkomsten in de talen, zodat de verschillen gemakkelijker te zien zijn. Er is geordend op schrijfwijze. De /ch/ van het Frans en het Nederlands staan namelijk wel tegenover elkaar, maar worden op heel verschillende manieren uitgesproken, zoals het IPA daarnaast ook duidelijk maakt.
Tabel 2. Overzicht medeklinkers in het Frans (Matter, 2007) en het Nederlands (Van Neijt, 1991).
Morfologie
Voor de morfologie zullen we ons vooral richten op de werkwoordsmorfologie en het werkwoordparadigma. Allereerst valt op te merken dat het Frans een relatief arme werkwoordsinflectie heeft, in ieder geval voor de mondelinge taal. Veel van de inflectie is namelijk niet hoorbaar in het Frans, terwijl er in het schrift wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de werkwoordsvervoegingen. In de gesproken taal is er geen verschil te horen tussen de eerste, tweede, en derde persoon enkelvoud en de derde persoon meervoud. Bovendien is de eerste persoon meervoud, de vorm van nous, een weinig gebruikte vorm in de spreektaal. Regelmatig wordt de nous-vorm vervangen door on, waardoor ook deze dezelfde uitspraak krijgt. Zo is er ook geen verschil meer tussen de werkwoordsvormen: ‘il regarde’ en ‘on regarde’. Als we een voorbeeld nemen van een regelmatig werkwoord op ‘-er’, dan zal de uitspraak voor alle vier hierboven genoemde persoonsvormen dezelfde zijn.
Voorbeeld: arrêter (stoppen)
Uitspraak van het werkwoord in alle vormen: [aret].
Grofweg kunnen we de Franse werkwoorden in drie groepen verdelen, te weten: de regelmatige werkwoorden op –er (de grootste groep), de regelmatige werkwoorden op –ir, en de rest, namelijk alle onregelmatige werkwoorden en regelmatige werkwoorden op –re. In alle groepen is de inflectie voor de eerste drie personen enkelvoud in de uitspraak niet hoorbaar. Dit geldt ook nog eens voor de imparfait (verleden tijd) en de futur (toekomende tijd). Tabel 3 geeft een overzicht van de werkwoordsuitgangen en in IPA de laatste klank of uitspraak van de werkwoorden.
Tabel 3. Overzicht Franse werkwoorden en bijbehorende laatste klank (Prévost, 2009).
Syntaxis
Zoals hierboven al genoemd heeft het Frans net als het Nederlands een SVO-woordvolgorde. Het lijkt daarom qua zinsopbouw sterk op het Nederlands. Zo hebben stellende zinnen het vervoegde werkwoord op de tweede plaats (SVO), terwijl in vraagzinnen, net als in het Nederlands, het werkwoord voorop kan komen te staan (VSO). Het Frans kent nog meer manieren om een zin vragend te maken, maar het veranderen van de woordvolgorde is er één van.
In stellende zinnen volgt in het Frans het werkwoord altijd op het subject. In het Nederlands kan het (hulp)werkwoord ook achteraan de zin voorkomen. In het Frans kan dit niet. In het Nederlands zouden we kunnen zeggen: Gisteravond hebben de jongens voetbal gespeeld, waarbij het werkwoord ‘gespeeld’ helemaal aan het einde staat. In het Frans zou deze zin als volgt zijn: Hier soir les garçons ont joué au foot, waarbij opvalt dat het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord bij elkaar blijven staan en direct volgen op het subject. De tijdsbepaling ‘gisteravond’ komt in het Frans aan het begin van de zin of helemaal aan het einde. Dit geldt voor zowel plaats- als tijdsbepalingen. Deze staan in het Frans nooit midden in de zin, terwijl dit in het Nederlands wel mogelijk is.
Voorbeeld met tijdsbepaling: Le matin, je me reveille à neuf heures.*
Hiervoor hebben we in het Nederlands drie mogelijkheden:
Wat betreft het indirect en direct object in het Frans; deze volgen meestal gelijk op het werkwoord maar hebben geen vaste volgorde. Soms komt het indirect object voor het direct object en soms juist andersom. Dit is gelijk aan het Nederlands. Voorbeeld: Ik geef haar twee cadeaus, waarbij het indirect object voor het direct object komt. Of Ik geef twee cadeaus aan haar, waarbij de volgorde andersom is. In het Frans kan dit ook, met lichte voorkeur voor de eerste vorm: Je lui donne deux cadeaux. Of: Je donne deux cadeaux à lui.
Kortom, de zinsvolgorde in het Frans lijkt sterk op de Nederlandse met twee belangrijke uitzonderingen. Allereerst vormt het werkwoordelijk gezegde één geheel in het Frans en staan de werkwoorden meestal bij elkaar in de zin en niet verspreid door de zin. Ten tweede hebben tijds- en plaatsbepalingen een vaste plek in de Franse zin, namelijk aan het begin of aan het einde.
Tot slot wordt in het Nederlands vaak gebruikt gemaakt van het woordje ‘er’. Een lastig woordje voor veel T2-leerders, voornamelijk doordat Nederlanders het voor hun gevoel "zomaar" en "overal" tussen kunnen plakken. Dit geldt ook voor een Fransman/Française die Nederlands leert. Er is wel een vertaling voor het woordje ‘er’, te weten ‘y’, maar y kan niet gebruikt worden als letterlijke vertaling van ‘er’ in het Nederlands. Dit woordje ‘er’ is vaak een groot struikelblok voor T2-leerders van het Nederlands, zeker als hun T1 Frans is.
Voor meer info en details over de syntaxis zie Delatour et al. (2012).
*De meeste voorbeelden komen uit bovenstaand boek.
Samengestelde zinnen
Een nevenschikking, bestaande uit meerdere hoofdzinnen, worden vaak met elkaar verbonden door de volgende voegwoorden: ‘et’ (en), ‘car’ (want), ‘mais’ (maar), ‘ou’ (of) en ‘donc’ (dus).
Onderschikkingen, bestaande uit een hoofd- en bijzin, kunnen ook samengesteld worden door voegwoorden, zoals ‘quoique’ (hoewel) voor een tegenstelling en ‘quand’ (wanneer) voor een voorwaarde of oorzaak. Een hoofd-en bijzin kunnen ook gekoppeld worden middels betrekkelijke voornaamwoorden. In het Frans worden de woorden qui, que of où dan vaak gebruikt aan het begin van een betrekkelijke bijzin. ‘Qui’ wordt gebruikt als het onderwerp in de bijzin is, ‘que’ wordt gebruikt als lijdend voorwerp en ‘où’ als verwijzing naar een tijd of plaats. In het Nederlands wordt hiervoor die of dat gebruikt.
Bij een onderschikking, die bestaat uit een hoofdzin en bijzin, is de volgorde in de hoofdzin in het Frans vaak eerst het onderwerp en dan het werkwoord. In het Nederlands is dit soms echter andersom wanneer de bijzin vooraan staat (inversie). Een voorbeeld: Après que sa femme est morte, il a déménagé à Nadat zijn vrouw was overleden, verhuisde hij.
Pragmatiek
Qua pragmatiek komt het Frans sterk overeen met het Nederlands. De woorden tutoyeren en vousvoyeren komen niet voor niets uit het Frans. De mensen die wij in het Nederlands zouden aanspreken met ‘u’, spreek je in het Frans aan met ‘vous’. De mensen die je beter kent, of mensen van je eigen leeftijd of jonger spreek je in het Nederlands aan met ‘jij/je’ en in het Frans met ‘tu’. Het gebruik hiervan is nagenoeg gelijk. In het Frans is het, net als in het Nederlands, gebruikelijk om onbekende mensen, oudere mensen en eventueel (groot-)ouders aan te spreken met u. Leeftijdsgenoten, vrienden en kinderen kun je ook in Frankrijk prima voor de eerste keer met ‘tu’ aanspreken. Daarnaast is ook ‘s’il vous plaît’ van belang bij het stellen van een vraag op een beleefde manier, een equivalent van ‘alstublieft’. Dit wordt op dezelfde manier gebruikt.
Beleefdheid wordt in het Frans veelal uitgedrukt door het gebruik van de conditionnel, in het Nederlands vaak vertaald met het werkwoord ‘zullen/zouden’. Voorbeelden hiervan zijn onder andere:
Maar ook in het betuigen van spijt wordt de conditionnel toegepast:
Dit zijn allemaal voorbeelden van zinsconstructies waarin beleefdheid een rol speelt. In het Nederlands maken we hier op eenzelfde manier gebruik van en passen we ook regelmatig ‘zouden/zullen’ toe als we iets van iemand verlangen en dit op een vriendelijke manier willen vragen. Uiteraard is ook de intonatie van belang. Dit geldt voor beide talen.
In het Nederlands kunnen we ook op een andere, maar vriendelijke manier iets gedaan krijgen. Hiervoor gebruiken we vaak verkleinwoordjes. ‘Mag ik een kopje koffie?’ tegenover ‘mag ik een kop koffie?’ klinkt voor een Nederlander vaak al heel anders. Dit gebruik is in Frankrijk veel minder sterk. Het Frans kent wel verkleinwoordjes, maar kan ‘klein’ alleen aanduiden door een vorm van ‘petit’ voor het zelfstandig naamwoord te zetten: ‘un petit garçon’, vertaald: ‘een jongetje’, of ‘een klein jongetje’. Het gebruik van deze verkleinwoordjes is in het Frans wel gebruikelijk maar niet om beleefdheid uit te drukken.
3. Verwervingsfases in het Frans
Hieronder zullen de verschillende verwervingsfases voor het Frans worden uitgelegd. Er wordt vooral gefocust op de werkwoordsmorfologie en de woordenschatverwerving. De verwerving van het Frans verloopt via dezelfde fases als het Nederlands (zie schema) en vertoont dan ook veel overeenkomsten.
Pre-linguale fase
In de pre-linguale fase reageert het kind op allerlei geluiden uit zijn/haar omgeving, zowel op geluiden van objecten als rinkelende glazen of de deurbel als op stemgeluiden van de ouders. Tussen de vijfde en zesde levensmaand ontwikkelt het kind al enige controle in de articulatie. Dit is te horen in het brabbelen van de baby. Al na zes maanden worden de klanken meer gelijkend op de moedertaal die het kind in zijn/haar omgeving hoort.
Losse woorden
Tussen de negen en achttien maanden gaat het kind specifieke klanken koppelen aan objecten en mensen. Meestal zegt het kind rond het eerste levensjaar, tussen de negen en twaalf maanden, zijn eerste woordje. Papa en maman zijn in het Frans de meest frequente eerste woordjes van baby’s. Dit komt overeen met het Nederlands waarin klanken als ‘ba-ba’ en ‘pa-pa’ ook behoren tot één van de eerste uitingen. Deze fase noemen we de éénwoordfase. Hierin produceert het kind losse, geïsoleerde woorden die het koppelt aan een situatie, object, handeling of persoon. Deze woorden bevatten vaak nog clusterreductie en andere simplificatie in de uitspraak. Zo zeggen Franse kinderen vaak ‘a’voir’ voor au revoir en ‘pati‘ voor partir (weggaan) (Bernicot 1994, 1998b, 2009). ‘Broum-broum’ verwijst vaak naar alles dat rijdt en geluid maakt, zoals auto’s, vrachtwagens, motoren enzovoort. Dit komt overeen met het Nederlands. Na zestien maanden worden vaak de eerste voorzetsels, ontkenningen, bijwoorden en werkwoorden gebruikt. Dit allemaal nog in losse, geïsoleerde contexten. Tussen de vijftien en negentien maanden gaan Franse T1-leerders hun eerste werkwoorden produceren. In het begin (tot ongeveer twee en half jaar) zijn dit meestal nog onvervoegde werkwoorden als ‘moi pousser’ (ik duwen) of ‘monsieur conduire’ (meneer rijden) (Prévost 2009). De eerste vervoegde vormen zijn vaak ‘est’ van ‘être’, gebruikt als koppelwerkwoord of in de vorm van ‘c’est Jean’ (dat is Jean), of een gebiedende wijs ‘regarde!’ (kijk!).
Tweewoordfase
Het kind komt vaak rond zijn tweede levensjaar in de tweewoordfase terecht. Hier komt ook meteen de eerste syntaxis de hoek om kijken, aangezien het kind nu een bepaalde volgorde van de twee woorden moet gaan bepalen. In het begin is deze volgorde nog arbitrair. Later komen hier de eerste regels van de grammatica bij die het kind verwerft. In deze tweewoorduitingen kan het kind relaties, handelingen, bezit, locatie en andere activiteiten duidelijk maken. Zo gebruiken Franse kinderen vaak ‘ama’ voor à moi, waarmee ze bezit van iets willen uitdrukken. Bijvoorbeeld: ballon ama ‘ballon à moi’ (bal van mij).
Driewoordfase
In deze fase gaat het kind meer dan twee woorden produceren. In het Frans wordt deze fase opgedeeld in twee groepen, namelijk het produceren van naamwoordgroepen en werkwoordsgroepen. Onder de naamwoordgroepen wordt verstaan dat het kind bijvoorbeeld een onderwerp gaat produceren met een lidwoord ervoor en een bijvoegelijk naamwoord zoals: ‘une belle maison’. Voor de werkwoordsgroepen worden eerst losse werkwoorden verworven en later ook de verschillende tijden. De eerste werkwoordsvorm die door de Franse kinderen wordt verworven is het koppelwerkwoord ‘est’ (is). Voorbeeld: ‘le gâteau est bon’. Deze vorm wordt meestal nog voor de leeftijd van twee en half jaar verworven (Bernicot 1994, 1998b, 2009). Hierna volgen de vervoegingen van de (hulp)werkwoorden être en avoir. Vervolgens de infinitieven, de tegenwoordige tijd en de onvoltooid verleden tijd. Deze laatste vormen worden verworven tussen twee en half en vier jaar.
De eerste vervoegde vormen die volgen staan in de tegenwoordige tijd en dan vooral de enkelvoudsvormen. De meervoudsvormen worden later verworven. Nu komt dat voornamelijk doordat de enkelvoudsvormen maar één auditieve vorm kennen en dus gemakkelijk te gebruiken zijn. Ook komt dit doordat de meest gebruikte meervoudsvorm die van ‘on’ is, waarbij het werkwoord ook enkelvoudig vervoegd wordt. Het is dus niet nodig een meervoudsinflectie van het werkwoord te leren, omdat nous in de spreektaal maar sporadisch voorkomt. Wat opvalt is dat de derde persoon meervoud, ondanks de auditieve overeenkomst met de derde persoon enkelvoud, toch later verworven wordt. De laatste vorm in de tegenwoordige tijd die de Franse kinderen produceren is de –ons vorm van nous. Dit is niet verrassend, aangezien deze vorm in de spreektaal zeer weinig gebruikt wordt, en dus ook in de input van de kinderen weinig voor zal komen. Van de onregelmatige werkwoorden 'avoir', 'être' en 'aller' wordt de vorm die hoort bij de derde persoon enkelvoud sterk overgegeneraliseerd: 'a', 'est' en 'va'.
Rond het tweede levensjaar gaan de Franse kinderen gebruik maken van de werkwoordstijd en wordt naast de présent het voltooid deelwoord geleerd. Dit wil niet meteen zeggen dat deze altijd correct overeenkomt met het onderwerp. Bijvoorbeeld: ‘ils est tout tombé’ (Prévost, 2009). In deze zin wordt wel gebruik gemaakt van een participe (voltooid deelwoord) maar wordt het hulpwerkwoord nog niet aangepast aan het onderwerp ‘ils’.
Meerwoordfase
Langzaam maar zeker komen de kinderen in een overgangsfase, wordt de derde persoon enkelvoud minder gebruikt en vinden we meer juist vervoegde vormen als ‘je vais’ in plaats van ‘je va’. Dit geldt vooral voor de onregelmatige werkwoorden ‘être’, ‘avoir’ en ‘aller’. Dit zijn, over het algemeen, de eerst geleerde finiete werkwoorden waarbij T1-leerders congruentie correct gaan toepassen. Een reden hiervoor kan zijn dat dit zeer frequente werkwoorden zijn. Als er sprake is van inflectiefouten dan komt dat meestal doordat de derde persoon enkelvoud wordt overgegeneraliseerd. Omgekeerd zijn er geen inflectiefouten gevonden in de productie bij T1-leerders (Prévost, 2009). Zo komt ‘papa vont’ en ‘des motos vais’ nooit voor, maar vinden we in kinderspraak wel ‘des motos va’.
Het gebruik van subject clitics wordt door Franse kinderen al snel correct gedaan. Dit komt deels doordat het werkwoord in de klank geen onderscheid maakt, waardoor het subject clitic het onderwerp aangeeft. Deze subject clitics gebruiken de Franse kinderen al rond hun tweede jaar. Wanneer de kinderen gebruik maken van subject clitics komen deze altijd voor met een finiet werkwoord (Prévost, 2009). Dit geeft aan dat de eerste finiete vormen bij Franse moedertaalleerders al snel geleerd worden.
Rond het vierde levensjaar produceren Franse kinderen de eerste vormen van de toekomende tijd. Hierbij gaat het om een toekomende tijd met behulp van het werkwoord gaan (aller), zoals ‘il va venir’ en ‘ça va être mon anniversaire bientôt’. De futur simple wordt pas later verworven. In deze fase ontstaan dus de eerste volzinnen en ook samengestelde zinnen. Vormen van de imparfait (verleden tijd, bijvoorbeeld: was) en de conditionnel (voorwaardelijke wijs, bijvoorbeeld: zou …) zijn enkele van de laatste vormen die verworven worden. Deze vormen worden vaak pas geleerd tussen vijf- en zesjarige leeftijd.
Differentiatie en voltooiingsfase
Met vijf jaar gebruikt het kind de meeste vormen en tijden van het werkwoord. Het gebruikt deze echter niet alleen om de plaats van de handeling in de tijd aan te geven, maar vooral om het aspect van de handeling aan te geven. Specifieker: of een handeling nog bezig is, of om juist het resultaat van een handeling weer te geven. Een voorbeeld om onderscheid te maken tussen het plaatsvinden van de handeling en het resultaat ervan: ‘il mangeait du caviar’ / ‘il a mangé du caviar’ (Bernicot 1994, 1998b, 2009). Zo komt een imparfait bij kinderen vaak niet voor om aan te geven dat deze handeling op de achtergrond plaatsvond voordat er een nieuwe handeling ontstond, zoals volwassenen de imparfait gebruiken in het Frans, maar gebruiken kinderen de imparfait eerder om een voorstelling/verbeelding te uiten. Bijvoorbeeld tijdens een spelletje: ‘j’étais le gendarme et toi le voleur’ (jij was de politieagent en ik de dief).
Wat betreft de syntaxis komt het Frans sterk overeen met het Nederlands in de verwervingsvolgordes. Allereerst kent het Frans net als het Nederlands een SVO volgorde. Het Frans kan deze volgorde veranderen bij vragen en passieve zinnen op dezelfde manier als in het Nederlands. De verwerving hiervan loopt vrijwel gelijk, met als uitzondering zinnen met een betrekkelijk voornaamwoord. Hierbij kan in het Frans gewerkt worden met de betrekkelijke voornaamwoorden ‘qui’ en ‘que’ waarbij men het onderwerp en het object kan verwisselen in de zin: SVO of OVS. Wanneer gebruik wordt gemaakt van ‘qui’ verwerven de Franse kinderen dit voor hun vijfde levensjaar, maar bij ‘que’ wordt het besef van de mogelijkheid van het verwisselen van het object en onderwerp pas zeer laat verworven, namelijk tussen tien en elf jaar. ‘Que’ wordt wel al gebruikt als betrekkelijk voornaamwoord in zinnen waarbij men het onderwerp en object niet kan verwisselen. Voor meer details, zie Bernicot (1994, 1998b, 2009).
De algemene verwerving en uitbreiding van de syntaxis bij Franse kinderen wordt kort weergegeven in Figuur 2. Er is hier een scheiding in onderwerp (naamwoordelijk deel) en gezegde (werkwoordelijk deel). Kinderen breiden hun zinnen langzaam uit door het onderwerp uit te breiden met bijvoorbeeld een adjectief en/of door de werkwoorden uit te breiden met een bijwoord of tijdsbepaling.
Figuur 2. Boomstructuur opbouw Franse zinsconstructie (Bernicot, 1998b).
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Frans
Er is al veel onderzoek gedaan naar de verwerving van het Frans in combinatie met taalontwikkelingsstoornissen. Om een zo compleet mogelijk beeld te geven wordt er gefocust op de werkwoordsverwerving van kinderen die Frans leren. Allereerst gaan we kijken hoe de verwerving van de werkwoorden verloopt bij tweetalige kinderen vergeleken met eentalig Franssprekende kinderen, vervolgens vergelijken we moedertaalsprekers van het Frans met kinderen met een taalstoornis in het Frans en tot slot kijken we kort naar het verloop van de verwerving bij T2-leerders van het Frans.
Werkwoordsverwerving bij tweetalige kinderen (waarvan één taal Frans)
Bij tweetalige kinderen verloopt de verwerving van de werkwoorden bijna gelijk met die van moedertaalsprekers van het Frans. In eerste instantie gebruiken de tweetalige kinderen net als de eentalige kinderen vooral infinitieven als werkwoorden zonder deze te vervoegen. Dit doen zij tot ongeveer twee en half jaar, net als de moedertaalsprekers (Prévost, 2003). Bij een mean length of utterance van 3.0 gebruiken de kinderen nog ongeveer 20% infinitieven. Ook voor de tweetalige kinderen geldt dat zij rond hun tweede levensjaar de derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd verwerven en gaan gebruiken, net zoals de moedertaalsprekers, zoals hierboven uitgelegd onder kopje 3. De passé composé en de futur worden ook door tweetaligen pas later verworven. De imparfait wordt wel later verworven door tweetalige dan door eentalige kinderen.
Twee tot vier maanden nadat de kinderen gebruik gaan maken van de derde persoon enkelvoud gaan ze ook de eerste en tweede persoon enkelvoud gebruiken. Rond 2;7-2;8 jaar wordt ook de derde persoon meervoud gebruikt (Prévost, 2003).
Paradis en Genesee (1996, 1997) hebben onderzoek gedaan naar de snelheid waarmee kinderen vervoegde (finiete) werkwoorden verwerven in het Frans ten opzichte van het Engels. Het gaat hier om tweetalige kinderen. Ze hebben twee studies gedaan naar vijf tweetalige kinderen (Engels-Frans). Hieruit concludeerden Paradis en Genesee dat finiete vormen eerder worden geleerd in het Frans dan in het Engels. Dit is onafhankelijk van of er meer input is in het Engels of Frans en van of Engels of Frans de dominante taal is. Pierce (1992) concludeerde eerder al dat dit bij eentalige kinderen ook geldt. Eentalige Franse kinderen verwerven finiete vormen eerder dan eentalig Engelssprekende kinderen.
Het komt ook voor dat tweetalige kinderen in hun beide talen tegelijkertijd vervoegde werkwoorden gaan produceren. Dit toont Meisel (1994) aan in zijn onderzoek naar Duits-Frans tweetaligen. Schlyter (2003) daarentegen geeft aan de productie van vervoegde werkwoorden voor tweetaligen Frans-Zweeds wel afhankelijk is van de dominantie van de talen. Maar zoals ook geldt voor eentalige Franse kinderen, is de derde persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd, de eerst voorkomende vorm van een vervoegd werkwoord. Dit geldt ook voor tweetalige kinderen. Er is een groter verschil tussen één- en tweetalige kinderen wat betreft het gebruik van subject clitics. Deze komen, zoals onder kopje 3 beschreven, bij eentalige kinderen al vrij snel veelvuldig voor. Bij tweetalige kinderen is dit anders. Tot twee en half jaar produceren zij geen subject clitics (Prévost 2003). Dit wordt bevestigd door Paradis en Genesee (1996,1997), Schlyter (2003) en Hulk (2000, 2004). Laatstgenoemde heeft onderzoek gedaan naar tweetaligheid bij een Nederlands-Frans meisje, Anouk (zie literatuuroverzicht voor meer informatie). In alle hiervoor genoemde onderzoeken wordt eenduidig aangegeven dat wanneer tweetalige kinderen eenmaal subject clitics gaan gebruiken in het Frans, ze deze wel altijd gebruiken mét een vervoegd werkwoord. Ten opzichte van eentalige leerders produceren de tweetalige kinderen dus later pas subject clitics, maar zodra deze voorkomen, worden ze wel gebruikt in combinatie met bijbehorend finiet werkwoord.
Tot slot wordt het werkwoord al vanaf het begin op de correcte plaats in de zin gezet, zowel bij een- als tweetaligen (Prévost, 2003). Dit geldt ook voor zinnen met een ontkenning, waarbij het Frans natuurlijk een dubbele ontkenning heeft.
Werkwoordsverwerving bij kinderen met een taalontwikkelingsstoornis
Ook voor de groep kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) geldt dat zij beginnen met het produceren van infinitieven. De eerste vervoegde vorm die wordt geproduceerd door kinderen met een TOS is de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Dit is gelijk aan normaal ontwikkelende kinderen en tweetalige kinderen. Het grote verschil is dat kinderen met een TOS significant langer in deze fase blijven zitten voordat zij ook andere finiete werkwoorden gaan produceren (Prévost, 2003). Zo komen bij kinderen met een TOS infinitieven voor tot ruim vijf jaar, terwijl dit bij normaal ontwikkelende kinderen slechts tot twee en half jaar is. Kinderen met een TOS blijven dus significant langer infinitieven produceren in een context die vraagt om een vervoegd werkwoord dan normaal ontwikkelende kinderen.
Paradis en Crago (2001) bevestigen dit in hun studie naar taalontwikkelingsstoornissen bij Franssprekende kinderen. Ook zij concluderen dat kinderen met een TOS significant langer en vaker gebruik maken van infinitieven, ook al vraagt de context om een finiet werkwoord. De eerste vervoegde werkwoorden komen alleen voor in de tegenwoordige tijd en dan alleen de enkelvoudsvormen. Opvallend is wel dat de productie van de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd bij kinderen met een TOS voor 96% correct is, zoals ‘suis’ en ‘ai’.
De passé composé en de futur worden significant later verworven. Als kinderen met een TOS toch gebruik gaan maken van een futur is dit meestal in de vorm van het werkwoord ‘aller’ met daarachter een infinitief (Prévost 2003, Paradis & Crago 2001). Aller betekent gaan, en geeft daardoor in combinatie met een infinitief wel een toekomende tijd aan, zonder werkwoorden te vervoegen volgens de regels van de futur simple. Ook dit is een vorm van overgeneralisering van het gebruik van infinitieven.
Uiteindelijk, rond hun tiende levensjaar gaan ook kinderen met een TOS gebruik maken van een verleden tijd, te weten de passé composé (Paradis & Crago, 2001). Toch wordt hierbij vaak alleen het participe (voltooid deelwoord) geproduceerd en wordt het hulpwerkwoord weggelaten. Bijvoorbeeld: ‘mamanØ bu’ in plaats van ‘maman a bu’. Het weglaten van het hulpwerkwoord is een algemeen kenmerk in de taalproductie van kinderen met een TOS, ook in andere talen dan het Frans (Prévost 2003, Jakubowicz & Nash 2001). Het gebruik van het participe is in het Frans soms ook lastig te onderscheiden. Dit komt omdat het verschil met de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd niet altijd hoorbaar is. Zo is het verschil tussen ‘il finit’ en ‘il a fini' niet te horen, zeker niet als kinderen het hulpwerkwoord weglaten. Hierdoor is het soms lastig om aan te geven wanneer kinderen precies een voltooide tijd gaan produceren. Ook het gebruik van subject clitics komt significant later bij kinderen met een TOS (Prévost 2003). Maar hiervoor geldt net als bij normaal ontwikkelende kinderen dat áls de kinderen eenmaal gebruik gaan maken van subject clitics, deze wel bijna altijd (volgens Paradis & Crago in 90% van de gevallen) voorkomen in combinatie met een finiet werkwoord. De studie van Jakubowicz en Nash (2001) spreekt dit deels tegen. Zij hebben namelijk ook taalproducties van kinderen met een TOS gevonden waarin wel een infinitief werd gebruikt in combinatie met een subject clitic. Een laatste veelvoorkomend probleem in de werkwoordproductie bij kinderen met een TOS is de werkwoord-agreement in het meervoud. Ook Franse kinderen met een TOS hebben hier problemen mee, ook volgens de studie van Roulet-Amiot (2008). Zij heeft dertien kinderen met een TOS en vijftien normaal ontwikkelende kinderen plaatjes laten koppelen aan een zin. Op een computerscherm zagen de kinderen een plaatje met daaronder een zin in het enkelvoud of meervoud. Naar aanleiding van het plaatje moesten ze kiezen tussen de meervouds- of enkelvoudsvorm. Eén van de voorbeelden was een plaatje van een jongen die naar school ging, met daaronder de volgende zinnen:
- Le garçon va à l’école (De jongen gaat naar school);
- Le garçon *vont à l’école (De jongen *gaan naar school).
Hieruit concludeerde zij dat kinderen met een TOS meer fouten maakten en gevoeliger waren voor het gebruik van enkelvoud dan meervoud, ook al werd een meervoudscontext gevraagd.Een andere studie is uitgevoerd door Pizziolo en Schelstraete (2008), waarin zij onderzoek deden naar het weglaten van grammaticale morfemen bij kinderen met en zonder TOS en of het gebruik hiervan afhankelijk was van de zinslengte en de grammaticale complexiteit van de zin. Hierbij hebben zij gekeken naar de omissie van lidwoorden en hulpwerkwoorden. De zinscomplexiteit veranderden de onderzoekers door gebruik te maken van transitieve en intransitieve werkwoorden. De zinslengte werd aangepast door het toevoegen van betekenisloze bijvoeglijke naamwoorden. Naar aanleiding van hun onderzoek concludeerden Pizziolo en Schelstraete dat kinderen met een TOS inderdaad vaker de lidwoorden en hulpwerkwoorden weglaten dan normaal ontwikkelende kinderen. Dit was echter niet afhankelijk van de zinslengte, maar de grammaticale complexiteit van de zin had wel invloed.
Eerdere onderzoeken hebben ook al uitgewezen dat Franssprekende kinderen met een TOS vaker hulpwerkwoorden weglaten (Methé & Crago, 1996). Wat opvalt is dat de kinderen het hulpwerkwoord ‘a’ van ‘avoir’ wel weglaten ten opzichte van het voorzetsel 'à'. Paradis & Crago (2001) hebben hier onderzoek naar gedaan en concludeerden inderdaad dat grammaticale complexiteit een rol speelt, omdat de kinderen veel vaker het hulpwerkwoord ‘a’ weglaten dan het voorzetset 'à'. Er is ook al eerder onderzoek gedaan naar de omissie van lidwoorden in het Frans. Ten opzichte van normaal ontwikkelende kinderen laten kinderen met een TOS de lidwoorden significant vaker weg. Toch doen zij dit opvallend minder vaak dan kinderen met een TOS in andere talen (LeNormand 1993, Paradis et al. 2003). Het onderzoek van Thordardottir (2007) spreekt dit echter weer tegen.
Samengevat: Franse kinderen met een TOS hebben moeite met het correct vervoegen van werkwoorden in de juiste context. Ze gebruiken significant langer een infinitief op de plek van een vervoegd werkwoord en ze verwerven significant later pas andere werkwoordstijden zoals de toekomende tijd en de voltooide tijd. De imparfait wordt nog weer later verworven. Ook het gebruik van subject clitics is bij Franssprekende kinderen met een TOS sterk vertraagd. Toch wanneer zij hier gebruik van gaan maken, komen deze clitics wel voor met een vervoegd werkwoord. Bovendien is er veel variatie tussen kinderen met een TOS onderling. Het ene kind lijkt meer last te hebben van de TOS en heeft meer moeite om de taal te verwerven dan een ander kind (Prévost, 2003). Er is zeer veel onderzoek gedaan en literatuur beschikbaar over het Frans in combinatie met een TOS. Hieronder de onderzoeken die aan bod zijn gekomen. In het literatuuroverzicht zijn ook nog andere onderzoeken opgenomen die hier verder niet besproken zijn vanwege de lengte van de tekst.
Werkwoordsverwerving bij kinderen die Frans leren als T2
Voor het leren van Frans als T2 houden we dezelfde normen aan als Prévost (2003) in zijn boek. We doelen hiermee op het leren van de Franse taal na het vierde levensjaar. Kinderen die Frans als tweede taal leren, doorlopen bijna hetzelfde proces als moedertaalsprekers. De eerste werkwoorden zijn vaak infinitieven en de eerste vervoegde vormen zijn allemaal in de tegenwoordige tijd, waarbij ook eerst de enkelvoudsvormen worden geleerd (Prévost, 2003) en daarna pas de meervoudsvormen. De werkwoordsplaatsing in de zin verloopt meestal vanaf het begin meteen correct. Er zijn weinig T2-leerders die het werkwoord op de verkeerde plek in de zin plaatsen.
De eerste vervoegde vormen worden meestal meteen correct gebruikt, al wordt de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd nog wel eens overgegeneraliseerd en als 'default' vorm gebruikt. Wat opvalt is dat kinderen die Frans als T2 verwerven ook meteen al subject clitics produceren. Dit komt waarschijnlijk omdat de kinderen al gewend zijn een subject clitic met een vervoegd werkwoord te gebruiken in hun T1. De werkwoordsinflectie wordt dan ook relatief snel geleerd.
Ook de onregelmatige werkwoorden worden snel correct vervoegd (Prévost 2003, naar zijn onderzoek uit 2001). De meest voorkomende fout is ook bij T2-leerders het overgeneraliseren van de derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Nadat de tegenwoordige tijd onder de knie is, verwerven veel T2-leerders de passé composé en daarna de futur. Deze volgorde komt dus overeen met T1 leerders en ook met tweetalige kinderen. Pas later worden de imparfait en de conditionnel verworven.
Het enige grote verschil bij T2-leerders is code-switching en het gebruik van een zogenoemde tussen-grammatica. Dat wil zeggen: een deel van de grammaticale regels uit de T1 wordt ook toegepast in de T2. Voor volwassenen geldt dezelfde verwervingsvolgorde bij het leren van het Frans als T2, alleen hebben zij langer nodig om de inflectie van de werkwoorden goed toe te passen en gebruiken zij langer infinitieven op plekken waar eigenlijk vervoegde werkwoorden horen te staan. We zullen niet verder ingaan op de T2 bij volwassenen. Voor meer info: zie Prévost (2003).
Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden die Franssprekende kinderen met een TOS maakten.
Gemiddelde leeftijd van 7.
Bron: Paradis en Crago (2001)
Twee bovenstaande afbeeldingen: leeftijden tussen haakjes achter elke uiting.
Bron: Jakubowicz en Tuller (2008).
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen
Gezien de bovenstaande informatie zijn er twee belangrijke punten naar voren gekomen die het verschil tussen T2-verwerving en een TOS duidelijk kunnen maken. Op deze punten zou er een aanwijzing kunnen zijn voor een TOS en dit zou onderscheid kunnen maken tussen problemen met het leren van Nederlands als T2 en het hebben van een TOS in de moedertaal Frans. Allereerst is het gebruik van infinitieven in plaats van vervoegde werkwoorden in het Frans een aanwijzing tot een TOS. Prévost (2009) geeft in zijn boek aan dat bij kinderen met een TOS infinitieven kunnen worden gebruikt tot wel hun vijfde levensjaar, terwijl normaal ontwikkelende kinderen geen infinitieven meer gebruiken in een context die vraagt om een finiet werkwoord na ongeveer twee en half jaar. Een goede vraag aan ouders/verzorgers van een kind dat Frans als moedertaal heeft en Nederlands leert als tweede taal, is dus of het kind (afhankelijk van de leeftijd) de werkwoorden in de tegenwoordige tijd al correct vervoegt en of het kind het vervoegde werkwoord aanpast aan het onderwerp op basis van aantal, persoon en geslacht. Het niet koppelen van de juiste werkwoordsvorm aan de persoon (je, tu, il, elle, enzovoort) kan duiden op een TOS. Vooral het langdurig overgeneraliseren van de derde persoon enkelvoud of het gebruik van een infinitief op die plaats kan een aanwijzing zijn. Een andere aanwijzing is het gebruik de passé composé of de futur. Tabel 4 uit het onderzoek van Paradis en Crago (2001) geeft aan dat kinderen met een TOS (in de tabel aangeduid met SLI) significant slechter presteren op het correct gebruiken van een passé composé of futur.
Tabel 4. Nauwkeurigheid werkwoordstijden door kinderen met TOS (Paradis & Crago, 2001).
Een ander kenmerk is het nog niet gebruiken van subject clitics. Kinderen met een TOS produceren uiteindelijk wel subject clitics, maar sterk vertraagd en dus pas op veel latere leeftijd dan normaal ontwikkelende kinderen. Ook kan worden gelet op het regelmatig weglaten van lidwoorden en vooral hulpwerkwoorden, echter het langdurig gebruik van infinitieven is waarschijnlijk de beste aanwijzing.
Literatuur
*Het boek van Prévost bevat praktisch alle nuttige informatie en is ook te vinden via:
http://books.google.nl/books?hl=nl&lr=&id=2GMwwpTIPQQC&oi=fnd&pg=PR1&ots=qGjOHCIg-P&sig=OLS0UfsOkHM2B1oNUx8VfZfh_x0#v=onepage&q&f=false
Leestip
Literatuur over IPA (Frans: API)
Internetpagina's
Een nevenschikking, bestaande uit meerdere hoofdzinnen, worden vaak met elkaar verbonden door de volgende voegwoorden: ‘et’ (en), ‘car’ (want), ‘mais’ (maar), ‘ou’ (of) en ‘donc’ (dus).
Onderschikkingen, bestaande uit een hoofd- en bijzin, kunnen ook samengesteld worden door voegwoorden, zoals ‘quoique’ (hoewel) voor een tegenstelling en ‘quand’ (wanneer) voor een voorwaarde of oorzaak. Een hoofd-en bijzin kunnen ook gekoppeld worden middels betrekkelijke voornaamwoorden. In het Frans worden de woorden qui, que of où dan vaak gebruikt aan het begin van een betrekkelijke bijzin. ‘Qui’ wordt gebruikt als het onderwerp in de bijzin is, ‘que’ wordt gebruikt als lijdend voorwerp en ‘où’ als verwijzing naar een tijd of plaats. In het Nederlands wordt hiervoor die of dat gebruikt.
Bij een onderschikking, die bestaat uit een hoofdzin en bijzin, is de volgorde in de hoofdzin in het Frans vaak eerst het onderwerp en dan het werkwoord. In het Nederlands is dit soms echter andersom wanneer de bijzin vooraan staat (inversie). Een voorbeeld: Après que sa femme est morte, il a déménagé à Nadat zijn vrouw was overleden, verhuisde hij.